Borstvoeding op verzoek, onderzoek naar bewijzen

Lisa Marasco BA, IBCLC en Jan Barger MA, RN, IBCLC – lactatiekundigen

Inleiding

Het is tegenwoordig algemeen geaccepteerd dat baby’s, vooral baby’s die borstvoeding krijgen, het best gedijen als ze kunnen eten als zij de behoefte daartoe aangeven. Borstvoeding is, tenslotte, een dynamisch proces tussen ieder uniek moeder-baby paar, waarvoor de mens met geen mogelijkheid beter werk kan verrichten dan de natuur, of God, zo je wilt, bij het ontwerpen van hoe een baby gevoed zou moeten worden.

Dit is echter niet altijd geaccepteerd geweest gedurende de 20ste eeuw. Zelfs tijdens het einde van de 19de eeuw, waren er mensen, voornamelijk mannelijke dokters, die begonnen te geloven dat het voeden van baby’s geregeld moest worden door de klok. Toen kunstmatige babyvoeding een rage werd in de 20ste eeuw, werden zowel de receptuur van deze melk, als schema’s om baby’s te voeden, populair. Deze schema’s rekten de tijd tussen voedingen vaak tot 3 of 4 uur, en hoewel ze kennelijk voldeden voor flesgevoede baby’s, voldeden ze niet zo goed voor borstgevoede zuigelingen.

Gedurende de zeventiger en tachtiger jaren, toen borstvoeding opnieuw in opkomst kwam door een baanbrekende beweging die ten eerste werd aangewakkerd door La Leche League, gingen veel moeders terug naar het voeden op vraag. Men bleek het meeste succes te hebben met borstvoeding, als men de aanwijzingen van de baby volgde, in plaats van de klok. De medische instanties bleven achter, en trokken pas dezelfde conclusie, nadat hun eigen onderzoek de wijsheid van het voeden op vraag aanwees – voor borstgevoede zuigelingen.

De bewijzen

Productie- en bewaarcapaciteit

Tot voor kort werd er geloofd, dat het merendeel van de melk werd gemaakt op het moment dat de moeder ging zitten om borstvoeding te geven of te kolven. Dit als resultaat van de stuwing van prolactine, die optreedt tijdens het voeden.

We wisten dat er wat melk tussen voedingen werd gemaakt omdat sommige van de niet-vette bestanddelen zich op passieve manier verzamelen in de holtes achter de areola, om voormelk te vormen. Kennis van dit proces is veranderd door het werk van Peter Hartmann.

Dr. Hartmann is een wetenschappelijk onderzoeker in Perth, Australië, die zich specialiseert in de productie van menselijke melk. In zijn laboratoria heeft Dr. Hartmann moeders vóór en na borstvoedingen bestudeerd. Hij deed dit door een soort topografische kaart te maken van melkgevende borsten met gebruik van een videocamera en computerapparatuur, zodat hij veranderingen kon analyseren. Hun nauwkeurigheid wordt geschat op +/- 5%, een fantastisch percentage voor dit type werk. Dr. Hartmann heeft door zijn werk ontdekt, dat de borst niet alle melk gedurende de voedingstijd aanmaakt, maar juist het hele etmaal door melk aanmaakt. De snelheid van de melkproductie tussen voedingen hangt af van de graad van volheid van de borst: hoe voller de borst, hoe langzamer het tempo van de melkproductie en aan de andere kant, hoe leger de borst, hoe sneller het tempo van de productie voor vervanging.

Nog fascinerender is het feit dat Dr. Hartmann ook verschillen heeft gemeten tussen de maximum opslagruimte in de borsten van verschillende vrouwen. Hij constateerde in zijn studie een verschil van tenminste 300% tussen wat de ene vrouw het meest kon opslaan, tegenover wat een andere vrouw het meest kon opslaan. Verder bemerkte Dr. Hartmann, dat de vrouwen die grotere opslagcapaciteiten hadden vaak met langere tussenpozen voedden, terwijl vrouwen met kleinere opslagcapaciteiten van nature vaker voedden [commentaar: de maat van de borst is niet altijd een goede manier om productie of opslagcapaciteit te voorspellen].

De belangrijkste conclusie was, dat al deze vrouwen de mogelijkheid hadden om meer dan genoeg melk te produceren in een tijdsbestek van 24 uur; het verschil lag in de maximum hoeveelheid die zij in één voeding konden bezorgen.

De gevolgtrekking voor voeden op schema is heel duidelijk, zoals beschreven in een van Daly en Hartmanns verslagen:

“Op historisch niveau heeft het typische iedere 4 uur borstvoedingschema, waar eens zo de voorkeur aan werd gegeven in de Westerse wereld [vermeldingen verwijderd], misschien geen problemen veroorzaakt voor vrouwen met grotere opslagcapaciteiten, maar het heeft waarschijnlijk desastreuze consequenties voor vrouwen met kleinere opslag ruimte gehad.

Zulke vrouwen, die vaker moesten voeden, zouden zijn gaan denken, dat hun melkvoorziening ontoereikend was met een schema van iedere 4 uur borstvoeding geven. Echter, in plaats van het schema van de hand te doen, is het duidelijk, dat zulke moeders veelal twijfelden aan hun vermogen om hun baby’s van melk te voorzien en daarom kunstmatige melk introduceerden.”

Endocriene vs. autocriene controle theorie

Er is ook een tweede niveau van potentiële problemen met het voeden op schema. Het was al welbekend, dat prolactine, het melkproducerend hormoon, erg belangrijk is voor een goede melkproductie in de eerste maanden. Maar, onderzoek heeft nu aangetoond, dat prolactine niveaus dalen tot een lager plateau gedurende de eerste paar postpartum maanden, het wordt minder belangrijk later, dan het in het begin is. Deze ogenschijnlijke tegenstelling wordt gedeeltelijk verklaard door de theorie van de endocriene versus autocriene controle. Endocriene controle verwijst naar de veronderstelling dat hormonen – namelijk prolactine en oxytocine – de grote aandrijvers van melkproductie zijn. Dit lijkt kort na baring tot stand te worden gebracht en dit kan verhinderd worden door achtergebleven fragmenten van de moederkoek of andere door hormonen veroorzaakte gezondheidsproblemen, die moeder zou kunnen hebben. Endocriene controle lijkt van primair belang voor de melkproductie voor pakweg de eerste drie maanden, tot de niveaus van prolactine verminderen.

Er wordt nu gedacht dat, gedeeltelijk weer vanwege het werk van Dr. Hartmann, een ander proces, beschreven als autocriene (locale) controle, het rond de drie maand overneemt. Volgens de theorie van autocriene controle, vervolgt het lichaam de melkproductie op een meer lokaal niveau dat gedurende de eerdere periode is bepaald. Wat succesvolle langdurige melkafscheiding lijkt te beïnvloeden, is de goede ontwikkeling van voldoende prolactine receptoren gedurende de endocriene controle periode, wat op zijn beurt in verband lijkt te staan met de veelvuldigheid van voedingen: hoe frequenter de voedingen, hoe groter de stimulering van de ontwikkeling van ontvangers (DeCarvalho, et al; Perry HM & Jacobs, LS).

In studies van vrouwen, die opnieuw melk gaan afscheiden, na een periode van geen melkafscheiding met een natuurlijk geboren kind, is opgemerkt dat het veel makkelijker is om de melkvoorziening terug te brengen gedurende de eerste drie maanden na de bevalling dan op een later tijdstip. Het lichaam produceert veel melkaanmakende cellen gedurende de zwangerschap en lijkt deze te verminderen over een aantal maanden na de bevalling, waarna op efficiënte manier alleen het aantal wat nodig is wordt behouden, plus een paar extra “off-line” cellen, die in een oogwenk terug in productie kunnen worden geroepen; dit natuurlijke proces heet involutie.

Veel vrouwen beweren succes te hebben gedurende de eerste paar maanden met het voeden op schema van hun borstgevoede baby’s. Echter, zij hebben ook een ongewoon hoog percentage van gebrek aan melkvoorziening rond de 3 á 4 maanden, zoals duidelijk is door baby’s wier groei afneemt tot beneden de aanvaardbare normen en die bijvoeding nodig hebben en/of door onvrijwillig spenen. Dit kan gebeuren als baby de langzamer vloeiende, lager volume borst afwijst ten gunste van een rijker vloeiende fles. (Red.: dit staat ook bekend als borstweigeren op jonge leeftijd.)

Met het oog op Dr. Hartmann’s werk, wordt het ook duidelijk waarom sommige baby’s nooit gedijen met schema’s van om de 3 á 4 uur, waarom sommige de eerste paar maanden gedijen alvorens uit te vallen, én waarom sommigen succes hebben gedurende de hele melkvoorzienende periode. Het heeft alles te maken met de individuele fysiologie plus het beheer van de borstvoeding (schema vs. verzoek) en niets te maken met het op een goede manier volgen van een arbitraire of zelfs “gemiddeld” schema. Moeders, die niet zijn geslaagd in het combineren van borstvoeding met schema’s, zijn verteld, dat zij de fysieke mogelijkheid om genoeg melk te produceren misten, of anders, dat zij het programma niet goed uitvoerden. Zij dragen dáárdoor een veel te grote last van schuld en ontoereikendheid.

Huilen en verzadigdheid

Katherine Dettwyler, een anthropoloog die zich specialiseert in voeding, heeft een boek uitgegeven, dat “Breastfeeding: Biocultural Perspectives” (Borstvoeding: Bioculturele Perspectieven) heet.
In “Door baby’s gestuurde borstvoeding: bioculturele implicaties” schrijft bekend en gerespecteerd lactatieonderzoeker Michael Woolridge over het huilen van baby’s en hoe culturele vooroordelen (veronderstellingen) vaak de interpretaties van het huilen van een baby beïnvloeden.

Het meest opmerkelijke commentaar van Woolridge ging over verzadigdheid, het gevoel van vol en tevreden zijn dat wordt gevoeld als het lichaam behoorlijk gevoed is: “Ik heb nog steeds het gevoel dat we nog moeten gaan waarderen wat de ‘eenheid’ is van de eetlust factor — dit is waarschijnlijk calorieën, maar zou preciezer vet kunnen zijn. Ik vermoed dat in het publieke oog volume inname als de kritische factor wordt gezien, dus wordt het zonder uitzondering aangenomen dat een vrouw waarvan de baby onrustig blijft na een voeding niet voldoende melkvolume produceert om de behoeften van de baby te vervullen. Veel specifieker zou er een klein maar cruciaal verschil, tekort in baby’s inname van vet of calorieën kunnen zijn, met het gevolg dat er geen verzadigdheid wordt bereikt” … “In deze context is er een belangrijk verschil tussen borstvoeding en kunstvoeding, een fles kunstvoeding heeft een gelijkmatige calorische dichtheid, zodat de inname van voedingstoffen in lineair verband staat tot de volume inname. Daarentegen neemt borstvoeding toe in calorische dichtheid gedurende een voeding terwijl het beschikbare volume afneemt, zodat de calorische inname een omhoog lopende lijn volgt ten opzichte van het ingenomen volume, waarbij in de latere stadia van de voeding een onevenredig groot aandeel leveren van de calorie inname van de baby. Als begeleidend verschijnsel leidt een beperking van melkvolume verwijdering uit de borst tot een onevenredige calorische restrictie.

Hoewel er waarschijnlijk vele mogelijk verklaringen zijn, waaronder die op een emotioneel niveau, is dit een mogelijke fysiologische verklaring waarom onrustig gedrag meer wordt waargenomen bij borstgevoede baby’s dan bij kunstgevoede baby’s [meer aanhalingen in het origineel].”

Deze opmerkingen zijn behoorlijk raak. Voorstanders van schemavoeden stellen vaak ook een tijdslimiet aan hoe lang baby’s gevoed zouden moeten worden en alhoewel ongewoon lange voedingen kunnen wijzen op andere moeilijkheden, dient Woolridge’s analyse als een waarschuwing tegen de praktijk van het stellen van limieten aan voedingen, omdat we in dat proces dus ook de vet/calorie inname aan het eind van een voeding beperken.

Verderop in het hoofdstuk wijst Woolridge twee zaken aan die hij als belangrijkste beschouwt voor goed borstvoeding management:

“Om potentiële calorietekorten te voorkomen moeten er twee kritische aspecten van borstvoeding correct nageleefd worden: de kwaliteit van mond aan borst positie tijdens de voeding (‘goed aanleggen’) en de afwezigheid van tijdsbeperkingen aan een voeding.”… “ Ik heb niet het idee dat we ons kunnen veroorloven de meest directe fysieke oorzaak van echte symptomen van ondervoeding – calorie beperking – noch de moeder verwijten om deze symptomen te interpreteren door een cultureel voorgeschreven set van criteria. [nadruk door Woolridge].

Er is terecht al veel aandacht gegeven aan het eerste aspect, goed aanleggen, maar het tweede aspect is nog steeds niet helemaal afgedaan. Van bijzonder belang is Woolridges observatie dat tijdsbeperkingen op voeding verband kunnen houden met onvoldoende vetinname. En tóch interpreteren ouders mogelijk het huilen dat volgt uit onverzadigdheid vanuit de gangbare opvattingen in hun cultuur. Die cultuur geeft moeders lichaam de schuld, maar niet het borstvoedingmanagement, dat ook cultureel bepaald wordt.

Vet en tijd tussen voedingen

Voorstanders van op schema voeden denken dat langere tijd tussen voedingen voor hongerige baby’s zorgt, die gulziger zullen drinken en die het nodige zwaardere vet aan het eind van een voeding binnenkrijgen. Woolridge heeft echter nog iets anders interessants geobserveerd wat deze overtuiging in ieder geval gedeeltelijk weerlegt.

“Vet in het begin van een voeding is omgekeerd gerelateerd aan de lengte van de tijdsduur tussen voedingen wat betekent dat voedingsfrequentie de melkvetconcentratie beïnvloedt. Dus de frequentie van voedingen, een van de sleutelparameters van voedingspatronen laten een direct verband zien met melkvetconcentratie en kan dus blijkbaar een rechtstreekse invloed op de kwaliteit van de melk uitoefenen.” … “ In het algemeen zou de vetconcentratie van melk gedronken bij een voeding blijken te worden gemaximaliseerd door zowel vaker voeden (de voedingsfrequentie op te voeren) en meer melk uit de borst te laten drinken – wat op zich een combinatie is van onbeperkte duur van voeden en optimaal positioneren (aanleggen). Toch is het in Westerse ziekenhuizen gebruikelijk geweest in het verleden om restricties op te leggen aan zowel voedingsfrequentie als voedingsduur met als gevolg een aannemelijke afbreuk aan de baby’s vetinname. Zulke restricties hebben heel waarschijnlijk geleid tot iatrogene problemen van borstvoeding, waaronder vetrestrictie (met als gevolg onrustig gedrag), symptomen van gebrek aan moedermelk en ondervoeding.

Een belangrijk probleem met voedingsschema’s en routines is dat ze vaak bestaan uit langere intervallen van 3 of 4 uur, in plaats van 2 tot 3 uur of vaker, zoals jongere baby’s in het bijzonder nodig hebben. De standaard definitie van een voedingsinterval is van het begin van een voeding tot aan het begin van de volgende, en niet zoals Babywise (zie noot 1) auteurs Gary Ezzo en Robert Bucknam op misleidende wijze de term hebben geherdefinieerd en zo een rookgordijn over de zaak gelegd. Baby’s hebben eten en drinken nodig als ze dat nodig hebben en dat is zo individueel verschillend in frequentie en duur als de oneindige variatie tussen mensen in het algemeen. Ja, er zijn gemiddelden die wellicht in een wiskundige normaalverdeling passen, maar per definitie zijn er ook baby’s die op een van de uiteinden vallen, met als behoefte hele korte of alleen langere intervallen tussen voedingen. Temperatuur, activiteit, doorkomen van tanden of gezondheid kunnen deze behoeften en patronen ook beïnvloeden. Geen enkel schema, zelfs niet een ’flexibele routine’, laat ruimte voor deze variatie, omdat de basisveronderstelling is dat de ouders, krachtens hun volwassen zijn, het beter weten dan de baby wat de behoeften van de baby zijn op elk willekeurig tijdstip. Het huilen van een baby, z’n meest dramatische uiting van een behoefte, worden in plaats daarvan automatisch geïnterpreteerd door een kunstmatig filter dat de mogelijkheid uitsluit dat vele baby’s zich niet zullen gedragen als de gemiddelde baby en zouden wel eens behoeften kunnen hebben waar we niet op hebben geanticipeerd. Dus, we verliezen het vermogen te begrijpen wat werkelijk “goed” is voor onze baby’s omdat we niet langer open staan om te leren van hem, maar alleen om hem te onderwijzen – hem op te leggen – hoe een culturele modelbaby te zijn.

Signalen om te gaan voeden en uitgestelde voedingen

Een baby die er aan toe raakt om gevoed te worden kan signalen afgeven zelfs voordat hij wakker wordt (Anderson, GC). Om te beginnen kan een baby wat bewegen, woelen en draaien of onrustig zijn in z’n slaap. Als z’n hand in de buurt van z’n gezicht komt, kan hij er naar gaan zoeken, en zelfs proberen er op te zuigen of op iets anders in de buurt van z’n mond gaan zuigen. Als deze vroege signalen genegeerd worden, kan de baby gaan kreunen en onrustig bewegen; als dit ook wordt genegeerd, zal hij zich uiteindelijk opwinden tot een flinke huilbui om uiting te geven dat hij nu al lang behoefte heeft aan z’n eten. Een ervaren moeder die borstvoeding geeft en haar baby in de buurt houdt, onderscheidt gewoonlijk snel de behoefte van de baby en legt hem aan de borst aan vroeg in de reeks signalen, zo het onrustig worden en huilen helemaal vermijdend. Voor de moeder die haar baby op een schema houdt en/of apart van hem slaapt, is dit heel anders.

Een pasgeboren baby die zelfs maar een paar minuten aan het huilen wordt gelaten kan erg ontwricht worden en meer moeite met goed toehappen en correct drinken hebben (Anderson GC) Dit wordt vaak gezien bij moeders in het ziekenhuis, een verpleegkundige brengt de baby snel binnen, terwijl ze laat weten, “Hij is er echt aan toe om te eten, hij bleef de laatste tien minuten huilen!” Maar zodra de moeder een poging tot aanleggen waagt, valt hij in slaap en drinkt niet goed aan de borst. Met als gevolg hij drinkt niet zoveel als hij nodig heeft, en als dit scenario zich herhaalt, neemt moeders melkproductie af met de tijd. Dit is in tegenspraak met de overtuiging dat een baby moet wachten op z’n voeding op basis van de klok en “de borst een signaal geeft meer melk te produceren” door harder te zuigen door z’n honger. Het omgekeerde komt veeleer vaker voor. De natuurlijk signalen van een baby omzeilen door eerder te voeden of door te wachten tot na deze ”gouden momenten” werkt eenvoudigweg niet. Terwijl een ervaren babyverpleegkundige een baby de fles kan laten pakken op een schema door de stevige flessenspeen in de mond te forceren om een zuigreflex op te wekken, is het bijna onmogelijke voor zelfs de beste lactatiekundige om een baby borstvoeding op te dringen.

Bovendien is er gebleken dat huilen fysiologisch schadelijk kan zijn voor de nieuwe zuigeling. Grote fluctuaties in bloedstroom vinden plaats tijdens lange huilperiodes, de hersenzuurstofopname neemt af en veroorzaakt een toename in de hoeveelheid bloed in de hersenen. Dit heeft als gevolg een hoger wordende bloeddruk die zorgt voor een toename in druk binnenin de schedel, zo de baby aan een risico blootstellend voor een hersenbloeding. Ondertussen stroomt zuurstofarm bloed terug in de systeemcirculatie, in plaats van in de longen (Anderson, GC). In het algemeen lijkt het huilen van een pasgeboren op een valsalva manoeuvre bij volwassenen (persdruk bij ontlasten) wat aderlijk bloed verhindert tot terugkeren in de onderste holle ader, wat weer tijdelijk de embryonale circulatie binnenin het hart van de pasgeboren herstelt.

In een poging om overdadig huilen te voorkomen en ook om de baby op de rails te houden, moedigen voorstanders van schema’s voor baby’s aan het gebruik van fopspenen aan om voedingen uit te stellen en/of ‘niet-nutritief’ zuigen aan de borst te elimineren. Zulke interventies zijn niet zonder risico. Barros en Victoria, et al, stelden vast dat fopspeengebruik in verband staat met een kortere (totale) borstvoedingduur en tegelijk tekenen Victoria et al aan dat moeders die fopspenen gebruiken voor hun baby’s heel vaak een hogere graad van gedragsbeheersing rond borstvoeding vertonen, wat vaak weer leidt tot een kortere totale borstvoedingduur. Dit zou een punt van zorg moeten zijn voor zowel ouders als gezondheidsmedewerkers, omdat de borstvoedingduur in de USA op dit moment ver onder de aanbevelingen valt van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), ‘Baby Friendly Hospital Initiative’ (BFHI – in Nederland Stichting Zorg voor Borstvoeding) en de Surgeon General (regeringswoordvoerder publiek gezondheid).
(Opmerking vertaler: Nederland kent een van de laagste borstvoedingscijfers in Europa).

Eetpatronen

Artsen en diëtisten keuren al lang de Westerse manier af van drie grote maaltijden op een dag eten. Ze hebben al vaak gezegd dat zes kleinere maaltijden gunstiger zou zijn voor onze spijsverteringssysteem, groei en ontwikkeling. Met dit als gegeven, waarom probeert iemand de frequentie van baby voedingen te verminderen tot slechts vier per dag met twaalf weken, zoals de Ezzo’s aanmoedigen? Anders dan volwassenen, die alleen maar hun gewicht stabiel hoeven te houden, moeten baby’s hun geboortegewicht verdubbelen in 5 á 6 maand en verdriedubbelen in een jaar.

Dat in overweging nemend, kijk naar de eetpatronen van volwassenen. De meeste volwassenen hebben iets in hun mond (behalve als ze actief op dieet zijn) gemiddeld elke 90 minuten als ze wakker zijn – ontbijt, koffiepauzes, lunch, tussendoortjes, warm eten, kauwgom, snoep (Linda Smith, IBCLC; ongepubliceerd onderzoek). We knabbelen; we krijgen dorst; we nemen wat water om te drinken; onze honger en dorst veranderen van dag tot dag, afhankelijk van het weer en ons activiteitenniveau. We proberen niet om aan te komen in gewicht, laat staan het te verdubbelen of te verdriedubbelen; waarom zouden baby’s minder voedingen per dag nodig hebben dan wijzelf, gezien hun situatie? De gemiddelde behoefte van een baby is om 8 a 10 keer per dag te eten, en tot aan 12 tot 14 keer per dag gedurende een groeispurt (Mohrbacher en Stock); schema’s laten simpelweg geen adequate ruimte voor zulke onvoorspelbare variaties.

De immuniteitsfactor

Voeding is vaak de focus bij borstvoeding, maar er zijn ook andere redenen waarom baby’s om de borst vragen. De meeste mensen zijn zich bewust dat borstvoeding immunologische voordelen overdraagt op de baby, maar slechts enkelen begrijpen de dynamiek van dit proces.

Een normale baby wordt geboren met een onderontwikkeld immuunsysteem dat tussen twee en zes jaar neemt om behoorlijk te rijpen (Goldman, AS). Een van de minder goed begrepen functies van menselijke melk is dat het het immuunsysteem van het jonge kind supplementeert totdat het volledig ontwikkeld is. Voor de pasgeborene is colostrum dicht geconcentreerd met antistoffen en immunoglobines om de baby een zo groot mogelijke hoeveelheid te geven gelijk na de geboorte. Als de baby ouder wordt, blijft mensenmelk antistoffen doorgeven tegen al die organismen waartegen de moeder haar eigen afweer heeft ontwikkeld. Zelfs meer verbazingweekend is dat als een baby een ziekte krijgt die de moeder niet eerder gehad heeft, hij dit organisme overbrengt door zijn speeksel op de borst, waar antistoffen ter plekke worden aangemaakt en dan teruggestuurd naar de baby via de melk om hem te helpen zich te verweren. De wetenschap komt niet eens in de buurt om dit huzarenstukje na te doen.

Baby’s die ziek zijn zullen vaak hun voedingsfrequentie opvoeren. Onderzoekers denken nu dat ze dat niet alleen maar doen voor de troost dat het brengt aan het miserabele kind, maar ook de baby’s inname van antistoffen en immuunfactoren, beschikbaar door de moederborst, te verhogen (Dettwyler, website). Baby’s lijken te “weten” wanneer ze met een virus of bacterie in aanraking zijn gekomen, en weten wanneer ze vaker borstvoeding nodig hebben om ze af te weren. Én, ze beseffen het voordat hun ouders zich realiseren dat er een ziekte onder de leden is. Er is geen bestaand systeem dat zo gevoelig en accuraat is als dit, en het staat niet onder de controle van ouders. Moeders die hun kind van de borst afwennen tijdens het eerste en zelfs tweede en derde jaar van leven valt het vaak op dat hun kind vaker ziek is dan daarvoor, of voor het eerst ziek wordt. De immunologische voordelen van menselijke melk verdwijnen niet na een bepaalde periode van tijd en kunnen niet op schema worden gezet.

Conclusie

Het bewijs is erg sterk dat willekeurig (gedefinieerd als vastgesteld op basis van externe invloeden, zoals gemiddelden) schemavoeden bij borstvoeding niet geadviseerd wordt voor enig moeder die wenst succesvol te zijn met borstvoeding, in het bijzonder voor langere perioden van tot een jaar of langer. Individuele opslag capaciteiten van een moeders borst is een van de belangrijkste factoren bij de bepaling welke baby’s gevoed kunnen worden met langere of kortere tussenduur. Een behoorlijke ontwikkeling van adequate prolactine receptoren is een andere belangrijke factor die vaker voeden vraagt. Gekoppeld aan het bewijs dat suggereert dat frequentie van voedingen – zonder restricties – positieve invloed kan hebben op de hoeveelheid vet in melk, lijkt het een overstelpend goed idee om de baby te laten eten wanneer hij maar een signaal afgeeft, op verzoek of volgens aanwijzing.

Wanneer ouders het natuurlijke systeem van signalen die een baby afgeeft aan de moeder negeren, kan dat resulteren in ontwrichting van het drinken van een baby en daardoor een lage inname en te weinig melk. Verder kan het onnodige extra huilen dat volgt uit het uitstellen van voedingen of ontmoedigen van de baby daadwerkelijk ongezonde stress in z’n lijf veroorzaken. Immunologisch gezien kan een limiet stellen aan de voedingen van een baby in een bepaald schema de pogingen van een baby dwarsbomen om een ziekte onder de leden af te weren en z’n inname van antistoffen en immunoglobines, van vitaal belang, zo verminderen.
Het kan beweerd worden dat kunstgevoede baby’s uitgezonderd zouden moeten worden van voeden op verzoek, maar zelfs ondanks dat de samenstelling en beschikbaarheid van hun melk relatief stabiel is en zonder de immuniteitsfactor van menselijke melk, kunnen ook zíj profiteren van het eten wanneer ze trek hebben, liever dan gedwongen te worden grote hoeveelheden te eten in mogelijk grotere hoeveelheden met langere tussenduur om tegemoet te komen aan hun dagelijkse calorie behoeften, terwijl hun magen onnodig oprekken in het proces.

Empirisch en theoretisch bewijs gecombineerd, blijven de huidige aanbevelingen van de American Acadamy of Pediatrics (kinderartsen) ondersteunen dat baby’s, vooral borstgevoede baby’s, op verzoek dienen gevoed te worden en hun eigen routines moeten kunnen ontwikkelen in plaats van in een vooropgezet schema geplaatst te worden. Het is verder onze conclusie dat praktijken die inwerken op het respecteren van de signalen van baby’s verantwoordelijk zijn voor lage gewichtstoename, ‘failure to thrive’, ‘milk supply failure’, ongewild vroegtijdig spenen, en mogelijk zelfs sommige casus van koliek, en niet te vergeten zuigelingenregressie en depressie als gevolg van het gebrek aan ouderlijke responsiviteit op baby’s signalen.

Bron van artikel:
http://www.fix.net/~rprewett/evidence.html 1997

Noot van de redactie 1:
Babywise: Dit controversiele opvoedingsprogramma van o.a. Gary Ezzo leunt sterk op schemavoeden en andere kind– en ouderonvriendelijke praktijken. Het wordt in verband gebracht met o.a. ondervoeding en uitdroging van baby’s.
In het Nederlandse boek ’Baby’s weten wat ze willen’ wordt door Aletha Solter om de vier uur voeden ook als ruim voldoende gezien. Huilen presenteert ze als noodzaak tot afreageren van spanningen.

Referenties bij artikel:

Anderson, GC. “Risk in mother-infant separation postbirth,” Image, Winter, 1989
Barros, FC & Victora, CG, et al. “Use of pacifiers is associated with decrease of breastfeeding duration.” Pediatrics, 1995; 95:497-99.
DeCarvalho, MD, et al. “Effect of frequent breast-feeding on early milk production and infant weight gain”, Pediatrics 72:307-11, 1983.
De Coopman, Janet. “Breastfeeding After Pituitary Resection: Support for a Theory of Autocrine Control of Milk Supply?” Journal of Human Lactation 9(1), 1993, p. 35-40
Daly, et al. “The Determination of Short-Term Breast Volume Changes and the Rate of Synthesis of Human Milk Using Computerized Breast Measurement.” Experimental Physiology (1992), 77, 79-87
Daly, Steven and Peter Hartmann. “Infant Demand and Milk Supply. Part 1: Infant Demand and Milk Production in Lactating Women.” Journal of Human Lactation 11(1) 1995; p. 21- 26.
Daly, Steven and Peter Hartmann. “Infant Demand and Milk Supply. Part 2: The Short-Term Control of Milk Synthesis in Lactating Women.” Journal of Human Lactation 1(1) 1995, p.27-37.
Goldman, AS. “The immune system of human milk antimicrobial, anti-inflammatory and immunodmodulating properties.” Pediatric Infectious Disease Journal, 1993, 12:664- 671.
Mohrbacher, N and J Stock.
Breastfeeding Answer Book, revised edition La Leche League International, 1997: Schaumburg, IL. p. 24.
Neifert, Marianne. “Early assessment of the breastfeeding infant.” Contemporary Pediatrics, Oct. 1996, p. 2-16.
Perry, HM & LS Jacobs. “Rabbit mammary prolactin receptors.” Journal of Biological Chemistry , 253:1560, 1978.
Riordan, Jan and Kathleen Auerbach.
Breastfeeding and Human Lactation. Jones & Bartlett, 1993: Boston, MA. p.88
Russell, R. MD. “Design in Infant Nutrition.” IMPACT #259, Institute for Creation Research, Jan. 1995.
Stuart-Macadam, Patricia and Katharine Dettwyler.
Breastfeeding: Biocultural Perspectives. Aldine De Gruyter, 1995: Hawthorne, NY. p. 217-242, chapter by Michael Woolridge
Victora, CG, et al. “Pacifier use and short breastfeeding duration: Cause, consequence or coincidence?”. Pediatrics , 99:3, 445-453, 1997.

Eerder verschenen in Nieuwsbrief Natuurlijk Ouderschap 7, 2001

6 Reacties aan “Borstvoeding op verzoek, onderzoek naar bewijzen”

  1. voeden op vraag een héél goed idee. Maar wat wanneer een baby er een marathon van maakt, de tepels er op den duur kapot van gaan en de moeder er oververmoeid van geraakt?

  2. Beste Ans,

    Ik herken je berichtje helemaal. Ik heb ook zo’n marathonbaby en dat is zeer vermoeiend. Ik probeer het los te laten en te genieten van haar babytijd. Zolang ik het volhoud ga ik er mee door en anders ga ik toch over op flesvoeden.
    Eerlijk gezegd ben ik er ook enorm druk mee toen ik probeerde mijn dochter wel naar de drie uur te krijgen (met pinken, troosten etc..) tot het tijd was voor de voeding. De stress die dat bij haar opriep (paars aanlopen en krijsen) vind ik het niet waard. Dus als zij roept….. gaat mijn BV-bar weer open.
    Weet dat er meer moeders zijn, die in het zelfde schuitje zitten.
    Sterkte!!! en hou vol zolang het gaat!

    groetjes

  3. Hallo Ans en Kitty,

    Ook ik voed op verzoek, maar merk dat ik nu na 3,5 maand het wel een beetje gehad heb en vermoeid raak. Ik heb geruime tijd op ca. 10-12 voedingen per dag gezeten. Geleidelijk nam het aantal voedingen af. De laatste twee weken ben ik terug naar 7 voedingen, waarvan 1 met fles en afgekolfde melk. Ben blij dat ons ventje al geruime tijd snachts doorslaapt zodat ik dan nog goed tot rust kan komen. Door 1 flesvoeding te laten doen door mijn man, heb ik savonds gelukkig even wat extra tijd om de deur uit te gaan.
    Ik ben nu van plan om nog 1 voeding te laten vallen. Qua groei en gewicht moet dat makkelijk kunnen (en ook krijsen en gillen is nog niet aan de orde). Momenteel heb ik zelf meer de behoefte aan structuur en om het zo nog lang vol te kunnen houden.

    Succes, want het is soms lastig genoeg!

  4. Hallo,

    Ik heb mijn dochter gewoon elke keer borstvoeding gegeven als ze wilde. Soms was dat in het begin erg vaak en dus vermoeiend. Maar t resultaat mag er wezen: nog steeds borstvoeding geven tussen haar hapjes na 7,5 maand en n heel blij en kalm meisje. Haar regelmaat hou ik nu aan bij slapen en vaste hapjes. Ik heb me niets aangetrokken van die tijden met borstvoeding want als wij trek hebben pakken we ook wat te te eten of wat te drinken, veel ongezonder vaak ook nog dan borstvoeding! T is toch geen patatje! 🙂

    Succes! X iel

  5. Ik ben van mening dat als je als moeder ECHT goed eet, je kindje vanzelf rustig/tevreden wordt en jij dus geen problemen hebt bij het open gooien van de “borstvoedingsbar”. Eet gezond, biologisch en zo dicht mogelijk bij de natuur. En dus geen voorbereide preparaten, lees de etiketten en vergeet de biologische voedingssuplementen niet. Uit eigen ervaring weet ik dat je dan absoluut niet moe bent en je kindje supper tevreden is. Bedenk je steeds; dat alles wat jij eet…ten goede komt aan je kindje, dus laat alle rotzooi die de supermarkt aanbied, lekker in de schappen liggen.

  6. […] Waarom voeden op verzoek (een overzicht van verschillende onderzoeken): http://www.natuurlijkouderschap.org/borstvoeding-op-verzoek-onderzoek-naar-bewijzen/ […]

Reageer