De menselijke baby

James Kimmel

Tederheid verscheen bij onze voorouderzoogdieren al voordat ze vuur leerden te behouden of een steen te vormen.

– Lewis Mumford, The Conduct of Life

De menselijke zuigeling is een hulpeloos wezen bij de geboorte. Hij is praktisch immobiel, hij kan niet kruipen, lopen of spreken, en is behoorlijk begrensd in zijn mogelijkheid om een bepaald doel te bereiken. Anders dan andere primaten kan het zich zelfs niet vasthouden aan zijn moeder. Het moet gedragen worden als het van de ene naar de andere plaats moet. Vijfenzeventig procent van zijn hersenen ontwikkelen zich na de geboorte. Het kan niet in leven blijven zonder inspanning van een ander mens. En hij heeft jaren van ontwikkeling nodig voordat hij voor zichzelf kan zorgen . De hulpeloosheid van een baby en zijn onrijpe ontwikkeling vereist een bron van zorg. De natuur heeft voor een bron gezorgd om aan deze behoeftes te voorzien: de menselijke moeder.

Moeders zijn biologisch en genetisch ontworpen om te zorgen voor hun baby’s. De moeder van een pasgeborene heeft alles wat een baby nodig heeft – armen om hem vast te houden, borsten met mensenmelk om hem te voeden en te troosten, een mensenlichaam om met hem te delen, een persoon om hem te beschermen en er te zijn voor hem. Zij is iemand die zich ontwikkeld heeft met de kracht en specifieke bronnen die de baby toestaan om in leven te blijven en zich normaal te ontwikkelen na zijn geboorte. Moeder en zuigeling ontwikkelen niet apart van elkaar, maar gezamenlijk. De moeder is de andere helft van het menselijke zorgproces, een proces dat bij de conceptie begint en welke doorgaat tot vele jaren na de geboorte. Alhoewel een moeder en haar baby structureel gezien gescheiden zijn op het moment van de conceptie, ontwikkelen ze zich om als geheel te functioneren. Donald Winnicott, de Engelse psycholoog, zei eens, “er is niet zoiets als een baby, er is een baby én iemand”. Deze stelling bevat de werkelijkheid van de mensenbaby, een werkelijkheid welke vaak over het hoofd wordt gezien door onze maatschappij, omdat baby’s ten onrechte gezien worden als gescheiden individuen.

Het is niet mogelijk om de mensenbaby of zijn ontwikkeling volledig te begrijpen als we hem gescheiden bestuderen van de “iemand” die hem in leven houdt. Er is nog nooit een baby geweest die leefde zonder de hulp en steun van een ander mens, met de mogelijke uitzondering van een paar geïsoleerde en niet bewezen aanwijzingen van kinderen die door dieren opgevoed zijn. En aangezien deze enkele individuen abnormaal in hun ontwikkeling waren, ten tijde dat ze gevonden werden, lijkt het me veilig om te concluderen dat een baby die ontwikkelt zonder de zorg van een ander mens, abnormaal zal zijn. Dus wanneer we spreken van baby’s, over hun behoeftes, moeten we ook spreken van moeders, of de “iemand”, of meerdere personen die haar plaats innemen. De behoeftes van baby’s, en wie baby’s zullen worden, zullen het moeten doen met niet alleen hun genen, maar ook met hun verzorgers en de maatschappij waarin ze ontwikkelen. Baby’s komen op de wereld met één kracht, de kracht om emoties van tederheid en zorg uit te lokken bij andere mensen, in het bijzonder bij hun moeder. Alles in een zuigeling is gemaakt om zo’n reactie uit te lokken. Ze is klein, zacht, kwetsbaar, onschuldig en uitnodigend. Haar behoefte aan zorg en bescherming is overduidelijk. Haar huilen is ontstaan om haar moeder (en andere mensen) angstig en bezorgd te maken. Het is een signaal van nood waarop emotioneel normale mensen reageren met een poging om te helpen. Moeder en baby zijn in het begin vreemden voor elkaar, maar de moeder, door het leven van haar baby aan haarzelf te bevestigen, brengt een samengevoegd geheel tot stand, waarin ieder een deel van de ander wordt. De moeder wordt de “iemand” die het voor de baby mogelijk maakt om in leven te blijven en zich na de geboorte verder te ontwikkelen.

Een baby zal kort na de geboorte al beginnen met glimlachen, zal plezierige en lieve geluidjes maken, haar moeder herkennen en ontdekken, later lachen, uitreiken, aanraken en knuffelen, dit alles zorgt voor een tedere hechting aan haar. Ze geeft aan dat ze het leuk vindt om bij haar moeder te zijn, dat ze niet een vreemde is, dat ze een vriendelijk en sociaal wezen is en dat ze alle menselijke emoties heeft, net als haar moeder. Moeder en baby zijn structureel gezien gescheiden, zonder bevestiging middels de placenta na de geboorte, maar ze zijn niet fysiek of emotioneel gescheiden. Ze hebben zich ontwikkeld tot een verzorgend stel met intiem en fysiek contact dag en nacht, een duo dat reageert op elkaars humeur en gevoelens. Een moeder glimlacht als haar baby glimlacht, lacht wanneer haar baby lacht, is angstig als haar baby angstig is, gelukkig als zij gelukkig is en droevig als ze niet gelukkig is. Een baby lacht wanneer haar moeder lacht, lacht om haar geluiden van vreugde, raakt van streek wanneer haar moeder van streek, angstig of boos is, of niet toegankelijk is als ze bij haar wil zijn.

De moeder-kind relatie is waarschijnlijk de meest sociale van alle menselijke relaties door de fysieke intimiteit, minimale scheiding, sterke wederzijdse afhankelijkheid en de noodzakelijkheid voor eenheid bij het functioneren, samenwerken, empathie en identificatie. Geen enkele andere relatie, inclusief die van een volwassen stel, stelt de kracht van de menselijke mogelijkheid zo op de proef om te verbeelden, bewonderen en “iemand anders” worden, aangezien het eerst non-verbaal is en dan minimaal verbaal voor vele jaren. Een baby kan je niet met taal vertellen wie hij is, wat hij voelt, of wat hij wil of nodig heeft. De moeder moet in aanraking komen met de “vergeten taal”, die non-verbale manieren van communiceren met een ander van onze soort, die voorheen de enige manieren waren om onze zorgelijke gevoelens aan elkaar duidelijk te maken.

Voor een baby, die aangeboren sociaal is, is de relatie met zijn moeder zijn kennismaking met de menselijkheid, zijn eerste menselijke relatie en degene die de trend zet voor al zijn toekomstige relaties. Voor de moeder is het een mogelijkheid om voor een leven van een ander te zorgen en het te koesteren, om direct te delen en bij te dragen aan de ontwikkeling en creatie van een mens, en door dit te doen, te groeien in haar menselijke realiteit.

Een baby is zich er in eerste instantie niet bewust van dat hij effect kan hebben op zijn moeder, dat hij de kracht heeft om te zorgen dat ze teder voor hem zal zijn. Ook kan hij niet iets speciaals doen zodat ze voor hem zorgt. Hij vertrouwt, zonder het te weten, op miljoenen jaren van evolutie van de zoogdieren, op het feit dat hij een baby is en zij de moeder, dat zij haar kinderen van de tederheid en zorg die ze ontwikkeld heeft (evolutionair gezien) voorziet.
Wij zijn een soort wiens bestaan genetisch bepaald is, genetisch bepaald in onze mogelijkheden om genegenheid te voelen voor het leven dat wij creëren en de capaciteit om dit leven te verzorgen, voor én na de geboorte. Vóór de geboorte volgt het zorgproces zijn eigen natuurlijke genetische en biologische pad, en kan tijdens de duur van de zwangerschap alleen maar afgebroken worden door een miskraam of abortus. Het lichaam van de moeder past zich spontaan aan en biedt de condities waardoor het embryo en foetus kunnen groeien. Zelfs niet gewilde concepties die voldragen zijn, kunnen gezonde baby’s op de wereld zetten. Voor veel individuen kan het proces van vóór de geboorte, doordat het afhankelijk is van de cultuur, de enige keer zijn in hun leven waarop ze verzorgd zijn op een normale, menselijke manier.

Zoals bij alle zoogdieren eindigt de zwangerschap niet bij de geboorte. De zorg na de geboorte is, alhoewel het genetisch en biologisch verbonden is met het proces van voor de geboorte, helaas niet automatisch. Bij de mensen kan de moeder kiezen, en beïnvloed worden door anderen in haar cultuur, om dit proces niet voort te zetten. Het is waarschijnlijk dat in het begin van de mensheid de moeders veel meer geleid werden door hormonen, instincten en reflexen, in hun reactie op hun pasgeborenen dan later in de tijd. Maar toen we onze moderne hersenen ontwikkelden, werd de zorg voor onze baby’s en jonge kinderen een bewuste activiteit. En toen bewustzijn steeds meer bepaald werd door cultuur, werd de zorg voor baby’s en kinderen een cultureel proces, dat in grote mate beïnvloed werd door de socio-economische organisatie van een cultuur.

Er wordt niet langer op een manier voor een baby gezorgd die bij hem past, maar op de manier waarop baby’s in de samenleving passen. We zijn een soort, die genetisch ontworpen is om ons nageslacht op te voeden. Wij zijn ook een soort die ook een pasgeborene begrijpt, waardeert en prioriteit kan geven aan de behoefte van de pasgeborene aan zorg, door onze capaciteit van bewustzijn en opmerkzaamheid. We kunnen als individuen maar ook als samenleving moeders aanmoedigen om voor hun baby te zorgen. Maar bewustzijn heeft twee kanten. Via culturele conditionering kunnen we bijvoorbeeld geloven dat biologisch “moederen” niet belangrijk, onnodig en een oneerlijke, indringende last in het leven van een vrouw is, of dat teveel zorg baby’s verwent en schadelijk is voor de ontwikkeling, of zelfs dat sommige baby’s, afhankelijk van hun geslacht, “imperfectie” bij de geboorte, afkomst, of “onwettigheid”, niet zouden moeten leven.

We kunnen er zeker van zijn dat voor het grootste gedeelte van het menselijke bestaan, moeders, moederen en de behoefte van een baby aan een moeder erg belangrijk was en er hoge prioriteit aan werd gegeven door de menselijke groep. Als dit niet het geval zou zijn geweest, zouden we het niet overleefd hebben, of we zouden zo gebleven zijn als een soort dat moederen vereist. Moeder en baby zouden niet lang op zichzelf hebben kunnen leven, gescheiden van een groep. Ook hadden ze het niet overleefd zonder de steun van de groep.

Negenennegentig procent van alle mensen die ooit geleefd hebben waren jager-verzamelaars (Nanda). Studies van deze samenlevingen bevestigen het respect en steun die door de groep gegeven werd aan de moeder, die de zorg had voor een baby. Sinds de oudheid tot op heden is er een overeenstemmende inspanning gedaan in de westerse samenleving, om de noodzaak voor de natuurlijke moeder om haar kind te verzorgen te elimineren. Moeders zijn in veel culturen en op veel tijdstippen aangemoedigd om hun tedere gevoelens voor hun baby’s te onderdrukken, ontmoedigd om hen op de biologisch, menselijke manier te verzorgen, en in plaats daarvan de zorg voor hun baby’s over te dragen aan anderen. De oppas en de fles getuigen van deze historische feiten. Beide culturele methodes om baby’s te voorzien van voedsel zijn, tot onze spijt, geslaagd om hun doel te bereiken, het doel om de noodzaak voor een natuurlijke moeder die voor haar kind zorgt te elimineren. Ze hebben de biologische condities voor de reproductie van de mens, de manier waarop het nieuwe leven van de mens zich ontwikkelt, en misschien de mensheid zelf, dramatisch veranderd.

De geschiedenis van de kindertijd in de beschaafde wereld laat blijken dat baby’s niet altijd gezien werden als kinderen om lief te hebben, of die tederheid nodig hebben. In verschillende periodes en om verschillende redenen werden ze gezien als het kwaad, schadelijk, lastposten, waardeloos, niet-gewild en verbruikbaar. Ze zijn natuurlijk ook als zodanig behandeld (deMause, Beekman). Lloyd de Mause beweerde in zijn boek over de geschiedenis van kinderzorg; “de geschiedenis van kinderzorg is een nachtmerrie van waaruit we pas recentelijk aan het ontwaken zijn”. Hoe verder de geschiedenis terug gaat, hoe lager het niveau van kinderzorg, en hoe meer waarschijnlijk kinderen vermoord, verlaten, geslagen, geterroriseerd en seksueel misbruikt werden.

DeMause verwijst naar de samenlevingen met beschaving, niet de samenlevingen van mensen buiten de beschaafde wereld. Het verhaal van mensen die leven als jager-verzamelaars is behoorlijk verschillend, als er naar gekeken wordt naar kinderen, dan degene die door hem beschreven werden. Studies door antropologen van jager-verzamelaar-groeperingen beschrijven baby-en kinderzorg in deze groepen niet als een “nachtmerrie”. Ze beschrijven de zorgen van de kinderen als “toegeeflijk”. Men ervaart wel dat als deze groepen blootgesteld worden aan de “beschaafde manieren”, dat de zorg voor baby’s en jonge kinderen minder zorgzaam, harder, wreder en straffend wordt.

(Noot van de redactie: Er zijn ook groepen jagerverzamelaars waar een bestraffende manier van omgang met baby’s resulteert in een gewelddadige samenleving)

Mensen hebben zich ontwikkeld in de natuurlijke wereld en om zich aan die wereld aan te passen. Onze capaciteit om samen te werken als een hechte groep was cruciaal voor ons succes als soort toen we in die wereld leefden. Het menselijke individu, vergeleken met andere zoogdieren, is slecht bedeeld om in de natuur te overleven. We hebben geen klauwen of slagtanden die als wapen kunnen dienen, we bewegen ons langzaam en we hebben geen beschermend schild. Zelfs onze superieure hersenen, gekoppeld aan de handigheid die ons toestaat om te creëren wat we ons voorstellen, zou weinig overlevingswaarde hebben als we niet collectief zouden kunnen handelen. Inderdaad ontwikkelde het menselijk brein, met de capaciteit voor taal, empathie en de mogelijkheid om te verbeelden en te spelen dat we iemand anders zijn, om onze mogelijkheden voor samenwerkend en collectief gedrag te verhogen. Zulke eigenschappen die het ons mogelijk maken om te overleven in de moderne wereld, zoals zelfvoldoening, onafhankelijkheid, competitie, egoïsme en de onverschilligheid voor het ongeluk van anderen, zou weinig aanpassende waarde hebben als we in kleine groepen als jagerverzamelaars zouden leven. Onze aanpassende kracht was toen de mogelijkheid om gecombineerd en als geheel te functioneren en de kracht zat niet in onze individuele en gescheiden vaardigheden, krachten, bezittingen of welvaart.

De verzorgende moeder-baby interactie, geworteld in de capaciteit van de moeder om te geven om het leven dat ze creëert, was voor het grootste gedeelte van ons bestaan hét model voor alle menselijke relaties en de basis voor de menselijke maatschappij. Het stond de pasgeborene toe om geboren te worden in een onrijpe staat en zo langzaam zijn hersenen en geest in relatie tot liefhebbende anderen te ontwikkelen. Het zorgproces, welke de eigenschap heeft van eenheid tussen de moeder en de baby, heeft individuen ontwikkeld die het natuurlijk zouden vinden om als geheel te functioneren met anderen. We zouden een heel ander soort zijn – erg asociaal – als we volledig ontwikkeld geboren zouden worden en geen moeder nodig zouden hebben.

Een menselijke baby die tegenwoordig geboren wordt bij welke ouder op de wereld dan ook, zou geen enkel probleem hebben om te passen in een jager-verzamelaars samenleving. Hij is ontwikkeld om precies dit te doen. Aan de andere kant, elke baby die heden ten dage geboren wordt in de moderne samenleving past niet in onze wereld, en hetzelfde geldt voor een baby die in het verleden geboren werd. Baby’s en moeders zijn in hun reproductief biologische of genetische structuur niet veranderd; het is de samenleving en het zijn de moeders die veranderd zijn in hun reactie op en houding tegenover baby’s. We waarderen en steunen moederen, of de kritieke behoefte van een baby om zich te ontwikkelen in relatie tot een teder, zorgende moeder niet langer. We zijn afgedwaald van het zorgaspect van reproductieve biologie door de “iemand” van een baby te veranderen.

In een samenleving waar de baby leeft en ontwikkelt zonder zijn moeders aanwezigheid en zonder menselijke tederheid worden sommige baby’s, misschien wel alle, een ander soort mens dan de bedoeling was. Ze moeten zich aanpassen aan en bij de plaatsvervangers passen die natuurlijk moederen hebben vervangen: flessenmelk, spenen, wiegen, box, veiligheidsvoorwerpen en andere verzorgers. Door dit zo te doen zijn we als volwassenen anders dan volwassenen die zich in relatie tot een zorgende moeder ontwikkelen. Niet adequate en slecht verzorgde kinderen groeien zonder de internalisatie van tederheid. We zijn ontwikkeld om onze tedere gevoelens voor de pasgeborenen over te dragen aan hen.

Baby’s hebben tederheid nodig. Ze groeien niet goed zonder. Het is de grondstof die ons mens maakt.

Referenties:

Beekman, Daniel. The Mechanical Baby. Westport, CT: Laurence Hill, 1977.
DeMause, Lloyd. The history of Childhood. New York: The Psychohistory Press, 1974.
Mumford, Lewis. The Conduct of Life. New York: Harcourt, Brace, 1951.
Nanda, Serena. Cultural Anthropology, Third Edition. Belmont, CA: Wadsworth Publishing, 1987.
Winnicott, D. The Family and Individual Development. New York: Basic Books, 1966.

Bron:
http://www.naturalchild.com/james_kimmel/human_baby.html

Eerder verschenen in Nieuwsbrief Natuurlijk Ouderschap 6, 2001

Reageer