Invoelend reageren stimuleert ontwikkeling van egoveerkracht

Invoelend reageren stimuleert ontwikkeling van egoveerkracht
Hersenonderzoek bevestigt positieve uitwerking van invoelend reageren op babysignalen

Samenvatting van een oratie van Prof. dr. Marianne Riksen-Walraven uit 2002
door Petra Helmus

Egoveerkracht. Een mooie term voor het vermogen om je soepel aan te passen aan stressvolle omstandigheden. Een vermogen dat iedereen hard nodig heeft. Als ouder kun je veel bijdragen aan de ontwikkeling van dat vermogen bij je kind. Uit de oratie* van prof. dr. Marianne Riksen-Walraven, met als titel Wie het kleine niet eert…Over de grote invloed van vroege sociale ervaringen, blijkt wat het belang daarbij is van invoelend reageren op je baby. Een samenvatting van een aantal punten uit de oratietekst.

Ontwikkeling van de hersenen

Het draait allemaal om de hersenen. De hersenen sturen ons gedrag. Hoe meer onze hersenen ontwikkeld zijn, des te meer mogelijkheden we hebben. Andersom heeft gedrag weer invloed op de hersenontwikkeling. Sterker nog, hersenen ontwikkelen zich nooit zomaar vanzelf. Er is interactie voor nodig, bijvoorbeeld tussen twee mensen.

Bij de ontwikkeling van egoveerkracht speelt de orbitofrontale cortex een grote rol. Dit gedeelte van de hersenschors, dat ook wel het hoogste controlecentrum van het emotionele brein wordt genoemd, ligt aan de voorkant net boven de ogen. Het orbitofrontale systeem “stuurt ons gedrag in onzekere en stressvolle situaties. Het zorgt voor een snelle inschatting van de betekenis van vooral sociale informatie”; het integreert informatie van buiten en binnen het organisme om zo te kunnen inschatten wat de beste reactie is en om zich zo goed mogelijk aan te passen aan veranderende omstandigheden. Volgens Riksen lijkt flexibel reageren een belangrijk doel van het systeem.

Als ouder kun je een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van de orbitofrontale cortex en de daarmee samenhangende psychologische ontwikkeling van je kind. Wat betekent dat in de praktijk? De orbitofrontale cortex ontwikkelt zich in situaties waarin ouders goed op hun kind zijn afgestemd. In haar oratie licht Riksen drie werkzame vormen van afstemming toe.

Afstemming

Met de eerste, meest basale vorm van afstemming stimuleer je het ontstaan van het eerste “zelf”-gevoel van je kind. Bijvoorbeeld door simpelweg na te doen wat je kind doet. Riksen noemt deze vorm van afstemming contingentie. Je kind ontdekt dat zijn gedrag effect heeft en dat maakt hem alert en richt de aandacht. Uiteraard gebeurt dat overigens niet alleen maar als jij hem nadoet. Je kind zal ontdekken dat zijn gedrag tal van effecten kan veroorzaken. Elke keer dat hij het verband ziet tussen zichzelf en iemand of iets anders zal hij zich even bewust worden van zichzelf. Zo ontstaat geleidelijk aan het eerste ‘zelf’-gevoel.

Door de tweede vorm van afstemming, affectieve afstemming, kan je kind hoge niveaus van opwinding (arousal) leren ervaren en verdragen. Daarmee voorkom je dat je kind in de toekomst snel overprikkeld raakt. Als je je affectief afstemt op de toestand van je kind voelt hij zich aangevoeld of begrepen. Hij ervaart deze vorm van afstemming door jouw gezichtsuitdrukkingen, gebaren en stemgeluid. Omgekeerd kan je kind zich op die manier ook op jou afstemmen. Als in een proces van wederzijdse afstemming de intensiteit van positieve gevoelens geleidelijk toeneemt, kan er resonantie optreden.
In de natuurkunde betekent resonantie dat de activiteit in een systeem plotseling wordt opgevoerd doordat het gaat meetrillen op de golflengte van een ander systeem. Om te kunnen begrijpen wat er gebeurt bij resonantie in de ouder-kind interactie is het noodzakelijk iets meer te weten over de werking van hersenen.

Dynamisch evenwicht

Je kunt de hersenen beschouwen als een complex of dynamisch systeem. “Zo’n systeem bestaat volgens de dynamische systeem theorie uit een aantal onderdelen die zich onderling zodanig organiseren dat het systeem als geheel zo efficiënt mogelijk functioneert in zijn omgeving”, zegt Riksen. Het systeem zoekt voortdurend naar evenwicht met zijn omgeving. Een dynamisch evenwicht, want elke keer weer wordt het evenwicht verstoord door impulsen uit die omgeving.
Bij een verstoring neigt het systeem ertoe om terug te schieten in oude, relatief stabiele evenwichtstoestanden. “Als het echter maar vaak en ver genoeg uit zo’n stabiele toestand getrokken wordt, kan er in het systeem opeens een nieuwe en meer complexe organisatie ontstaan. Kenmerkend van zo’n nieuwe en meer complexe organisatie is dat energie sneller en efficiënter door het systeem kan stromen.” In het geval van psychologische systemen bestaat die energie uit ‘informatie’. Informatie vanuit de omgeving brengt in de hersenen bio-energetische veranderingen op gang. Daardoor wordt de groei van neurale verbindingen gestimuleerd en daarmee worden een meer complexe organisatie en meer complexe functies mogelijk gemaakt.

Terug naar resonantie in de ouder-kind interactie. Bij die vorm van resonantie krijgt het brein van je kind, en vooral de rechterhelft – die het meest betrokken is bij de communicatie en regulatie van emoties – een energiestoot van nieuwe informatie (de positieve arousalpiek). De informatiestoot stimuleert de hersenen tot een meer complexe organisatie die het voor je kind in de toekomst makkelijker maakt om met dergelijke hoge niveaus van arousal om te gaan.

Regulatie

Het ontstaan van een positieve arousalpiek gebeurt in een opwaartse affectmodulatie. Om te bevorderen dat een kind dergelijke pieken kan verdragen, is naast opwaartse ook neerwaartse regulatie nodig; dit is de derde vorm van je afstemmen op je kind. De bovengrens van wat je kind nog aankan mag niet te ver en te vaak overschreden worden.Te hoge niveaus van arousal moeten bij baby’s nog door de interactiepartner, de ouder, omlaaggebracht worden. Zij kunnen dat in hun eerste levensjaar nog niet zelf. De egoveerkracht, oftewel het vermogen om het arousalniveau zelf te reguleren, ontstaat geleidelijk aan.

In de regelmatige ‘conversaties’ die je met je baby hebt, vindt opwaartse en neerwaartse affectmodulatie als vanzelf plaats. Volgens Riksen zijn het een soort “emotionele rek- en strekoefeningen” waarbij het ‘arousal-tolerantievenster’ van je kind geleidelijk aan wordt opgerekt. Dat tolerantievenster markeert bij welke intensiteit van prikkeling je kind begint te reageren en hoeveel het maximaal aankan zonder dat zijn functioneren erdoor wordt verstoord. Voor een deel is het tolerantievenster weliswaar constitutioneel bepaald, maar voor een groot deel is het een product van de ervaringen die je kind opdoet in de vroege interacties met jou als ouder.

Als je hoge niveaus van arousal bij je kind niet voldoende neerwaarts reguleert, kan dat schadelijke effecten hebben op de ontwikkeling van die delen van de hersenen die uiteindelijk de egoveerkracht van je kind bepalen. Het herhaaldelijk blootstellen van een kind aan vernedering, bijvoorbeeld door je op momenten van hoge arousal van je kind af te keren, is door neurobiologen wel getypeerd als “gif voor het zich ontwikkelende brein”. Als je herhaaldelijk op dergelijke momenten de verbinding verbreekt en vervolgens weigert om de breuk te herstellen door je opnieuw op het kind af te stemmen, worden synapsen vernietigd en gaan zenuwcellen in affectieve centra dood. Daarmee laat het “gif” letterlijk zijn sporen na in de structuur van de hersenen.

“Goed afgestemde ouder-kind interacties zijn gedurende de gehele vroegkinderlijke periode van invloed op de ontwikkeling van de hersenen en zo op het latere functioneren”, stelt Riksen. Maar voor de ontwikkeling van de orbitofrontale cortex is de periode tussen negen en achttien maanden na de geboorte kritiek. Die periode valt samen met een verandering in de aard van de interacties tussen ouder en kind.

“Terwijl kinderen tot negen maanden vooral gericht zijn op directe face-to-face communicatie”, ontwikkelen zij vanaf negen maanden “het vermogen om samen met een ander hun aandacht te richten op een derde persoon of een object en daarover te communiceren via oogcontact, stemgeluid en gebaren. Het kind kan de blik van de ander volgen, kan de ander nadoen en begint diens intenties in te schatten waardoor er vanaf deze leeftijd allerlei nieuwe gezamenlijke activiteiten mogelijk zijn.” Die activiteiten vormen de randvoorwaarden voor de ontwikkeling van het orbitofrontale systeem. Want juist die nieuwe vorm van interactie kan hoge niveaus van positief affect en arousal bij het kind genereren en daarmee de ontwikkeling van egoveerkracht mogelijk maken.

* Noot:
Prof. dr. Marianne Riksen-Walraven sprak de oratie uit op 1 maart 2002 bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de ontwikkelingspsychologie, in het bijzonder de vroegkinderlijke ontwikkeling, aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Het is de eerste leerstoel binnen de Nederlandse psychologie die speciaal gericht is op de psychologische ontwikkeling van kinderen in de allereerste levensjaren. De volledige tekst van de oratie is te vinden op http://repository.ubn.ru.nl/bitstream/2066/19116/1/19116_wie_hekln.pdf

Eerder verschenen in Nieuwsbrief natuurlijk Ouderschap nr 10, 2002

Meer lezen over de ontwikkeling van jonge hersenen kan in bijv. het boek van Sue Gerhardt – Waarom liefde zo belangrijk is: hoe de liefde voor je baby zijn hersenen vormt.

Reageer