Auteur: redactie

  • Waar is mijn centrum? Kind-gefocust ouderschap en het continuum concept van dichterbij bekeken

    door Scott Noelle

    vertaald door Diana Boskma

    We wisten van niets.

    Dat was, simpel gezegd, wat mijn vrouw en ik wisten over het opvoeden van kinderen toen we dit pad op gingen.

    Gelukkig wisten we genoeg om vraagtekens te zetten bij de gangbare manier van opvoeden en ons onderzoek leidde ons naar alternatieve keuzes als thuisbevalling, samen slapen en op verzoek voeden c.q. op een natuurlijke manier borstvoeding geven.

    We hadden ook het geluk om een niet-gangbare kinderarts te vinden die – toen we niet wisten waarom onze baby huilde als ze niet vastgehouden of gedragen werd – een recept uitschreef om Jean Liedloffs klassieker: Op zoek naar het verloren geluk: naar een natuurlijk manier van opvoeden (in het Engels The Continuum Concept, kortweg: TCC), te lezen. Om te zeggen dat TCC mijn leven veranderd heeft is een understatement. Ik zou dit artikel niet schrijven en niet als parenting coach werken als er niet de verandering in denken en de passie voor progressief, natuurlijk opvoeden, ingegeven door dit boek, was geweest.

    Als je het niet hebt gelezen of nooit van TCC hebt gehoord, kijk dan bij de links aan het eind van dit artikel. Voor nu is het genoeg te weten dat TCC gaat over de ervaringen van Liedloff tijdens het leven bij een stam Yequana indianen in het Amazone gebied en hoe radicaal dat haar kijk op de menselijke natuur en het opvoeden van kinderen veranderd heeft. Ze raadt natuurlijk opvoeden aan, wat meer in lijn is met de condities waaronder de mens zich heeft geevolueerd – praktijken die bij de Yequana normaal zijn en zo ook in de meeste andere “primitieve” culturen, zoals het continue dragen van baby’s.

    Wij voelden ons stukken wijzer na het lezen van TCC. Nu begrepen we meer over onze baby’s, hun manier van communiceren, het huilen en hoe tegemoet te komen aan wat zij van nature nodig hebben.

    Het was een “Aha” moment

    Vrij snel na het lezen van TCC, last ik een artikel wat eraan gerelateerd was. Dit artikel heeft mijn gedachten nog een stapje verder laten gaan. Het artikel heet: Who’s In Control? The Unhappy Consequences of Being Child-Centered. (Wie is de baas? De ongelukkige consequenties van child-centered, kind-gefocust zijn.) Liedloff had ontdekt dat Yequana ouders zelden direct hun aandacht geven aan hun kinderen en toch zijn het de kinderen die zich, naar wat zij ooit gezien had, zeer goed gedragen en gelukkig zijn. Contrasterend daarmee zag zij in de Westerse wereld kinderen met ouders die heel veel aandacht voor hun kinderen hadden en daarmee zeer op het kind gefocust zijn. Deze kinderen waren vaak het minst gelukkig en tegendraads. Hoe kon dit?

    Liedloff concludeerde dat het alle aandacht aan het kind geven (child-centeredness) het probleem was. Het artikel beschrijft hoe het child-centered opvoeden onze baby’s en kinderen het gevoel geeft dat we niet weten wat we doen – dat we letterlijk continue naar hen kijken om ons te vertellen wat we moeten doen. Ondanks al onze goede bedoelingen, child-centered zijn kan onze kinderen een gevoel geven van onrust en onzekerheid en dat kan onverklaarbaar moeilijk gedrag en recalcitrantie veroorzaken. Liedloff raadt ons aan child-centered opvoeden te vermijden en onze aandacht te geven aan normale volwassen activiteiten, terwijl we onze baby’s dragen en / of onze kinderen bij onze activiteiten betrekken, op zo’n wijze dat zij kunnen toekijken en eventueel meehelpen.

    Wij hebben de ideeën in het artikel toegepast en onze baby veranderde bijna direct van een moeilijk en geïrriteerd kind, naar een contente, ontspannen baby. We waren verkocht aan het concept en – typische voor alle nieuwe ouders – begonnen het idee aan iedereen die we kenden te vertellen! Maar het duurde niet lang voordat we tot de conclusie kwamen dat niet-child-centered opvoeden niet het wondermiddel was voor alle problemen. In feite, het had een aantal potentiele desatreuze valkuilen. Dit artikel is geschreven om Liedloff lezers te helpen om deze valkuilen heen te navigeren en daarmee beter de inzichten genoemd in haar artikel te kunnen gebruiken.

    Child-centered opvoeden wordt vaak op de internationale TCC e-mail lijst besproken, dit is een e-mail lijst om ondersteuning te bieden aan ouders die TCC hebben gelezen. Recentelijk kreeg ik een e-mail van een van mijn clienten, die lid is van de e-mail lijst. Ze schreef,

    Ik heb problemen met het idee van niet-child-centered zijn. Het voelt verkeerd om bewust moeite te doen om geen aandacht aan mijn kinderen te besteden. Het komt bijna op hetzelfde neer als het kind te laten huilen of zoiets dergelijks, net zo walgelijk te doen.

    Mijn antwoord aan haar was: Je hebt gelijk. Als het verkeerd voelt al je aandacht van je kinderen weg te houden, dan is dat omdat het natuurlijk is voor ouders (in het bijzonder moeders) continue op ze afgesteld te zijn, op subtiele en minder subtiele manieren.

    Laten we nu eens wat dieper op het onderwerp ingaan…

    Let op je taalgebruik

    Het belang van taalgebruik bij een concept als dit moet niet worden onderschat. Om een complex concept te kunnen begrijpen en op te roepen wanneer het nodig is, heb je een woord of een zin nodig waarin je het kunt samenvatten of verpakken. In het geval van het artikel van Liedloff hebben we een briljante beschrijving van de gezonde dynamiek, maar de enige terminologie die aangeboden wordt is er een van een ongezonde dynamiek: niet-child-centered. Deze manier van dubbel negatief taalgebruik moedigt het gewenste ouderlijke gedrag en de gewenste ouderlijke houding niet goed aan.

    De verwarring wordt verergerd door het feit dat voordat je het artikel ooit gezien hebt, je waarschijnlijk gedacht hebt dat het goed was om child-centered te zijn. De term (child-centered) wordt al tientallen jaren gebruikt in het onderwijs en geeft daarmee aan dat het gaat om het belang van het kind en zijn of haar individuele interessen en belangen. Dus de term “niet child-centered” te zijn kan een onderliggende boodschap met zich brengen: “Maak je niet druk om hun belangen.”

    Verder, de titel, “Who’s In Control?” (Wie is de baas?) is een zin die vaak wordt gebruikt om ouders door middel van een gevoel van schaamte ertoe te bewegen de controle over hun kinderen te krijgen “met alle noodzakelijke middelen”. We hebben allemaal te maken met de sociale druk om de wereld te laten zien “wie de baas is” in volwassenen-kindrelaties. We kennen allemaal de eindeloze sarcastische opmerkingen en kritieken:

    “Dat kind wikkelt je om zijn vinger!”

    “Ze mag dát van je?!”

    “Dat kind moet eens goed leren wie er de baas is!”

    Of de titel door Liedloff gekozen is of door de editors van het tijdschrift dat het publiceerde, het staat buiten kijf dat TCC tegen het gebruik van dwingende maatregelen is:

    Beslissen wat een andere persoon zou moeten doen, wat de leeftijd ook is, staat buiten het gedrag van de Yequana. Er is een grote interesse in was iedereen doet, maar geen impuls om dat te beinvloeden – en al helemaal niet dwingen – wie dan ook. … De Yequana hebben niet het gevoel dat omdat een kind minder fysieke kracht heeft en van hen afhankelijk is dat dat betekent dat ze hem of haar met minder respect zouden moeten behandelen dan een volwassene . [TCC, p. 90]

    Niettemin is het moeilijk voor ons “geciviliseerde” mensen om het artikel “Who’s In Control?” (Wie is de baas?) te internaliseren zonder de cultureel gewortelde betekenis van de zin onze gedachten te laten infiltreren. Zomaar spontaan – als je kind slaat, bijt of tegen je schreeuwt en je jezelf bijna niet kunt stoppen om terug te slaat, bijten of schreeuwen – zal de gedachte “Wie is de baas?” je waarschijnlijk niet helpen een keuze te maken van compassie, zonder dwingen! Zo zal ook de gedachte, “Ik moet niet child-centered zijn” je niet meer bewust laten worden van wat je kind nodig heeft en hoe je je kind het beste tegemoet kan treden.

    In de schaduw loerend

    Over de jaren is het me opgevallen dat vele goed bedoelende ouders het verlangen hebben zich los te koppelen van hun kinderen, ondanks het bewuste verlangen naar een gezonde natuurlijke band. Ik heb deze inpuls ook bij mezelf ervaren en ik ben ervan overtuigd dat dit geworteld is in de pijn van hetgeen wij als kind nodig hadden en niet gekregen hebben en ook de competitieve, zero-sum, winnen óf verliezen manier van denken waarvan onze cultuur doordrongen is.

    De verborgen, listige stem achter de impuls van verwaarlozing zegt: “Waarom zou ik geven wat ik nooit gehad heb? Als ik het niet verdiend had om de aandacht te krijgen die ik wilde, dan verdient mijn kind het ook niet”, en zo verder. Onder de invloed van deze sluimerende gedachten wordt de “wees niet child-centered” aanwijzing gemakkelijk verdraaid naar een subtiele verwaarlozing of loskoppeling die gerechtvaardigd wordt door het oppervlakkige “continuum correct zijn.”

    Je kan positieve aandacht geven aan deze impuls en het veranderen in een geschenk door de volgende vraag met echte nieuwsgierigheid te vragen: “Waarom zou ik hen meer aandacht geven dan ik als kind kreeg?” Mijn eigen antwoord hierop was tweeledig: (1) Omdat ze het nu nodig hebben, net als ik toen, en (2) omdat geven wat ik tekort kwam mij heelt.

    Ironisch genoeg leidt het laatste vaak tot een ongezonde child-centeredness, als we teveel indirect proberen onszelf te helen door onze kinderen. Liedloff gaat op deze val in in haar artikel als ze de angstgevoelens beschrijft die ouders voelen die hun kinderen niet willen blootstellen aan de vervreemding die zij als kind hebben gevoeld door de hand van goed bedoelende ouders.

    Het woord vervreemding is passend. Het probleem met child-centered zijn is niet dat het kind teveel aandacht krijgt, maar de verkeerde soort aandacht en niet genoeg van de juiste soort. Beide van deze onevenwichtigheden verzwakken de ouder-kind relatie en leiden tot gevoelens van vervreemding.

    Twee soorten aandacht

    Als we een kind het type aandacht geven waarbij we het kind constant vragen was ze willen of nodig hebben – als ze onze gevoelens van onzekerheid of angst om te falen in hen geven wat ze nodig hebben (onze eigen geprojecteerde gevoelens van niet krijgen wat we nodig hadden) – dan voelen ze zich van nature niet prettig of zelfs totaal in paniek!

    Dit is voor volwassenen niet anders. Bedenk maar eens hoe jij je zou voelen als je een hersenoperatie nodig hebt en de chirurg lijkt totaal geen vertrouwen te hebben in zijn of haar kundigheid. Natuurlijk zoek je dan een andere chirurg bij wie je je veilig voelt, maar het zelfvertrouwen van de chirurg alleen is ook niet genoeg. Je wilt ook iemand die uitgebreid aandacht geeft aan wat jij nodig hebt tijdens het gehele proces.

    Maar hoe kan het dan dat moeders in “continuum culturen” bijna nooit aandacht aan hun kinderen besteden? Waarom lijkt het dat zij zich alleen met hun volwassen bezigheden bezig houden? Wel, wij zien het waarschijnlijk niet, maar dat betekent niet dat het er niet is.

    Antropoloog Richard Sorenson is een pionier in visual anthropology, hij maakt gebruik van film en video om het gedrag en de omstandigheden van andere culturen te documenteren. Door beeld voor beeld te analyseren heeft Sorensen laten zien dat er vele subtiele signalen tussen de moeders en hun kinderen uitgewisseld worden – signalen die onzichtbaar zijn voor Westerse ogen. De mogelijkheid die signalen en andere subtiele signalen te begrijpen (inclusief de buitenzintuiglijke signalen die zelfs de camera zal missen) is een gegeven feit voor jager-verzamelaars. Zij vertrouwen erop voor hun overleven bij hun gevoel van welzijn. Sorenson (1996) noemt het liminal consciousness, een bewustzijn dat tussen het onbewuste (subliminal) en ons bekende Westerse/Cartesian, rationele wereldzicht (supraliminal).

    In Westerse culturen hebben we ons uitgebreide bewustzijn verloren, dit omdat we de problemen van een grote hoeveelheid mensen, dicht op elkaar, technologie, snelle veranderingen en andere moderne toestanden moeten doorstaan. Onze strategien om het te doorstaan hebben een niveau van intellectueel abstract denken en communicatie nodig, deze is niet beschikbaar voor baby’s en kleine kinderen, maar ongelukkigerwijze dwingen we onze kinderen vaak om deze abstracte manier van denken en communiceren te begrijpen, terwijl dat nog veel te vroeg is. Bij voorbeeld, het aan een baby vragen wat zij wil, wat hulpvaardig en genereus lijkt, oefent een druk uit op de baby om het concept van haar los van ons zijn en een individu zijn te begrijpen, voordat haar verstand/hersenen ervoor klaar zijn om die sprong te maken. Onze cultuur eist zo veel denk-abstractie dat we zelden het type liminal, intuitive verbinding ontwikkelen die onze “ongecivilizeerde” medemens informatie verstrekt.

    De Native American jagers hebben een manier van tracking die een goed voorbeeld is van het liminal bewustzijn dat zo vreemd lijkt voor het verstand van de westerse mens. Een handje vol westerse mensen hebben het bestudeerd en ondekt dat het om een totaal andere wereld van bewustzijn gaat. Maar het verstand van de Native doet dit bewustzijn niet in een doos met het label “Alleen voor de jacht.” Het verrijkt juist hun gevoelens van verbondenheid met alles, inclusief elkaar.

    De steeds populairder wordende praktijk van Elimination Communication (EC) is een ander voorbeeld. Na enige tijd EC gedaan te hebben weten moeders vaak dat hun baby’s moeten plassen, zelfs als ze niet op de conventionele manier aandacht aan hun baby hebben besteed. Maar hun constante harmonieuze samenzijn met hun baby’s is een vorm van aandacht en geeft vaak een gevoel van connectie die ver uitstijgt boven hetgeen mogelijk is door de conventionele manier van aandacht geven alleen. Het afwezig zijn van dit diepgaande gevoel van verbondenheid is de kern van onze culturele en wijdverbreide distantie van elkaar.

    Hoe dan ook, we hoeven onze rationaliteit niet af te zweren om onze liminale mogelijkheden weer te ontwikkelen. Om op de beste manier van deze veel te weinig gebruikte vaardigheden in een moderne context gebruik te maken, moeten we eerst weer een verbinding met deze vaardigheden opbouwen en daarna deze vaardigheden in onze rationele kijk op de wereld integreren.

    IK, IK, IK!

    Veel ouders hebben een diepe band met hun kinderen, maar toch vragen deze kinderen rechtstreekse aandacht en interactie. “Kijk naar me! Kijk, mamma, kijk!” Zijn er soms uitzonderingen op de regel?

    Ik denk dat onze kinderen meer direct aandacht zoeken (in vergelijking tot kinderen in continuum culturen) deels omdat ze de ervaring nodig hebben om in de cultuur die ze kennen te kunnen floreren: onze geciviliseerde, individualistische, Westerse cultuur. Ze moeten een sterk ego ontwikkelen, alleen maar om hier te kunnen bestaan. Het is geen bewust proces: kinderen en volwassenen beiden hebben een gevoel voor psychologische omgevingen en intuitief weten we wat we nodig hebben om succesvol te kunnen zijn in een gegeven omgeving.

    Degenen onder ons die zichzelf beschouwen als “culturele creatievelingen” zullen vragen hebben rond de overheersende standaarden van onze cultuur en zich afvragen of het wenselijk is dit door te geven aan hun kinderen. We zien de destructie van ons milieu en het menselijk lijden wat gebracht is door het institutionele narcissisme van onze cultuur en we wensen onze kinderen zo op te voeden dat ze een deel van de oplossing zullen zijn en niet van het probleem. Maar tenzij je het voor elkaar gekregen hebt een samenhangende, collectieve subcultuur om je heen en in je familie te creëeren en je hebt je “normale” gevoel van gescheiden zijn zo ver overstegen dat de woorden “mijn” en “de jouwe” nog maar zelden in je hoofd opkomen, dan heeft je kind echt geen keuze behalve dan zijn of haar ego nog krachtiger te ontwikkelen. En dat vereist meer rechtsreekse aandacht dan misschien natuurlijk zal lijken.

    Tragisch genoeg, veroorzaken onze wel-bedoelende pogingen om te voorkomen dat kinderen egoïstisch of narcistisch worden zowaar juist deze condities later in het leven. Als je echt wilt dat je kind mededogen, zorg en de wil om anderen te helpen ontwikkelt, dan is er geen andere mogelijkheid dan door te gaan. Daarmee wordt niet bedoeld te suggereren dat je terug moet gaan naar het ongezonde child-centered zijn, maar ook moeten we kinderen niet van directe aandacht beroven, juist omdat kinderen in meer collectieve culturen niet zoveel aandacht nodig hebben.

    Sorensen (1976, p. 177) merkt op dat bij het Fore volk in Nieuw Guinnea volwassenen zelden moeite doen om een peuter of ouder kind te “redden” als het huilt of overstuur is. Er wordt normaal gesproken van kinderen verwacht dat ze zelf de troost zoeken die ze nodig hebben. Maar wees voorzichtig, verwar deze tegenzin troost aan een kind op te dringen niet met totale tegenzin troost aan een kind te geven. Sorensen voegt toe dat “troost werd zelden geweigerd als het gezocht werd”. En ik wil er nog aan toevoegen dat we niet moeten aannemen dat “onze” kinderen altijd zullen weten wanneer en hoe ze de troost moeten krijgen die ze nodig hebben, in het bijzonder zij die opgegroeid zijn in de “verwachting” dat ze gered worden.

    Als je gevoel je zegt dat je kind directe aandacht nodig heeft, vertrouw daar dan op. Je kan je kind helpen een gezond zelfvertrouwen te ontwikkelen door simpelweg te weten wie jij bent – wat jij nodig hebt, je waarden, je grenzen, je gecentreerdheid, je verbondenheid met jezelf en je kind – terwijl je hem of haar je aandacht en aanwezigheid geeft.

    En hoe doe je dat dan in de praktijk

    Mijn eerste suggestie is om de positieve betekenis van child-centered te herwinnen en het label trots te accepteren: “Ik ben child-centered omdat ik ervoor zorg dat wat mijn kind nodig heeft, mijn kind ook krijgt.” Geef hem dan je directe aandacht als het voor jou goed voelt. (Als je goed op elkaar afgestemd bent voelt het niet goed voor jou als het niet goed voor hem is.) Als je het niet hoeft te geven, zoek dan naar creatieve manieren waarop hetgeen iedereen nodig heeft ook krijgt, en vraag ook om hulp van anderen als je dat nodig hebt.

    Verder, laten we het ongezonde child-centered zijn noemen wat het daadwerkelijk is: het uitdrukken van een slecht gevoel van eigenwaarde. Het is een gedrag dat resulteert uit het missen van het vertrouwen in onze capaciteiten als ouder – teveel vertrouwen op leiding van onze kinderen in plaats van vertrouwen op ons eigen kunnen of instinct. Waarschijnlijk is een betere term voor dit concept “rollenverwisseling”. Als je je realiseert dat je vervallen bent in rollenverwisseling dan kan je dingen rechtzetten door jezelf af te vragen, “Wat is mijn rol als ouder?” Het antwoord zal van ouder to ouder verschillen, maar meestal zijn bij die rol inbegrepen: bescherming, troost, voeden, informeren, faciliteren en vooral goed op elkaar afgestemd zijn.

    Vaak herinner ik mijn clienten eraan dat als we door de onbekende wateren van progressief ouderschap navigeren, we onzeker kunnen zijn en toch vol zelfvertrouwen. Je kan rechtop staan en zeggen, “Ik vertrouw op van mijn eigen kunnen, hoewel ik geen idee heb wat ik moet doen!” En geloof het of niet, deze houding geeft je kinderen zekerheid! Zo een zelfvertrouwen geeft een duidelijk signaal af dat je zowel in een onzekere als in een zekere situatie de boel aankan.

    Als je je realiseert dat je een compulsieve “redder” geweest bent – en daarmee ongewild de ontwikkeling van je kind om zelf troost te zoeken en te vinden in de weg gestaan hebt – dan stel ik voor dat je langzaam verschuift van reactie naar beschikbaar zijn. Als je kind overstuur is, focus dan direct op afstemmen op je kind en je hart openen voor je kind, maar wacht even voordat je ronduit hulp aanbiedt. Zie of ze zelf naar je toe komt. Geef haar de kans om haar comfort-zoekende mogelijkheden opnieuw te ontdekken en te verbeteren, maar wacht niet met troost direct aan te bieden als je intuitie zegt dat ze je nu nodig heeft. In het bijzonder baby’s hebben direct troost nodig, dat is een reden waarom baby’s instinctief de voorkeur eraan geven om in direct fysiek contact met een bekende ouder of verzorger te zijn, 24 uur per dag, 7 dagen per week.
    Als laatste, als je jezelf in rollenverwisseling ziet – te vaak vragen wat je moet doen of je kind smeken wat voor je te doen – probeer dan deze simpele tweestaps centreertechniek:

    1. Vraag jezelf, “Waar is mijn kern / centrum?” Adem diep en blijf nieuwsgierig totdat je voelt dat je weer in je eigen kern bent.

    2. Reageer op je kind met stille aanwezigheid. Met andere woorden, wees er gewoon voor een tijdje, en laat woorden niet tussen jou en je kind komen. Een paar woorden kunnen nodig zijn, maar wacht ermee en laat de magie van de eenvoudige aanwezigheid zijn werk doen.

    Wat onze kinderen het meeste nodig hebben – naast de basis van voeding, lucht, water, onderdak en zo – zijn ouders die aanwezig, gecentreerd en afgestemd zijn. Helaas, onze cultuur leert ons te geloven dat zo’n innerlijke vrede afhankelijk is van uiterlijk condities. Maar iedere dag zijn er mensen die leren dat zij vrede kunnen kiezen ook als het niet “gerechtvaardigd” is door de juiste condities.

    Met andere woorden, je kan duidelijk, kalm, creatief en vol vertrouwen zijn – zelfs als je overstuur “zou moeten zijn” — om geen enkele andere reden dan dat je innerlijke vrede wilt ervaren. Je kinderen maken misschien niet direct dezelfde keuze, maar terwijl jij je mogelijkheden om innerlijk vrede te creëeren verbetert, beginnen zij een gevoel van authentieke kracht te voelen en zullen jou van nature volgen.

    Uit uitgave nr. 2 van Transforming Parenthood

    Scott Noelle woont in de Verenigde Staten van Amerika, in de omgeving van Seattle, samen met zijn vrouw Beth en twee dochters. Hij is al lange tijd een voorstander van bewust, holistisch, instinctief, natuurlijk ouderschap. Scott biedt ondersteuning aan aan progressieve ouders, via telefonisch coachen. Zijn gratis E-zine, Transforming Parenthood, is online beschikbaar: www.scottnoelle.com

    _____________

    RESOURCES

    Liedloff, Jean (1975) The Continuum Concept: In Search of Happiness Lost.New York: Perseus. www.continuum-concept.org/reading.html

    Liedloff, Jean (1994) “Who’s In Control?” Mothering 73:33 (Winter, 1994). www.continuum-concept.org/reading/whosInControl.html

    Sorenson, E. Richard (1976) The Edge of the Forest: Land, Childhood and Change in a New Guinea Protoagricultural Society. Washington, DC: Smithsonian Institution Press

    Sorenson, E. Richard (1996) “Where Did The Liminal Flowers Go? : The Study of Child Behavior and Development in Cultural Isolates.” Anthropology of Consciousness 7(4). www.sacaaa.org/aocabs/74sor.htm (abstract)

    The Continuum List, email-based support group for parents and others who are applying Liedloff’s continuum principles: www.continuum-concept.org/forum/

    Web address of the original article:
    http://www.scottnoelle.com/parenting/child-centered.htm

    Nederlandstalige CC mailgroep:
    www.yahoogroups.com/groups/continuum-concept-nl

  • De misleiding van het ‘gecontroleerde huilen’

    door Pinky McKay

    Toen ongeveer twintig jaar geleden het zogenoemde ‘gecontroleerde huilen’ (controlled crying) ten behoeve van slaaptraining voor het eerst werd geïntroduceerd, werd het aanbevolen voor baby’s die ouder waren dan zes maanden, en niet voor pasgeborenen.

    Er zijn nog steeds deskundigen die achter varianten van deze methode voor oudere baby’s staan, terwijl veel van deze deskundigen denken dat een vergelijkbare methode niet geschikt is voor jongere baby’s. Niettemin adviseren verschillende auteurs en zelfs sommige slaapcentra ook baby’s van enkele weken oud te laten huilen om ze te leren zelf in slaap te vallen.

    Die adviezen lijken erg op de adviezen uit de jaren rond 1850. Soms worden de moderne slaap-training methodes gecamoufleerd door termen als “gecontroleerd troosten” of zelfs “gecontroleerd tot rust komen”, en bij elke vorm worden er verschillende aanbevelingen gedaan over hoe lang de baby mag huilen en hoe vaak en hoe lang de baby getroost mag worden. Soms wordt eenvoudigweg geadviseerd de baby te laten huilen totdat hij zelf in slaap valt.

    Veel deskundigen op het gebied van slaaptraining beweren dat er geen bewijs is dat er schade ontstaat door gecontroleerd huilen. Toch is het belangrijk om op te merken dat er een groot verschil is tussen ‘geen bewijs van schade’ en ‘bewijs van geen schade’.

    Feitelijk is het zo dat een groeiend aantal gezondheidsdeskundigen beweert dat het niet in het voordeel van de psychische en fysiologische gesteldheid van de baby is om ze te trainen te snel diep te slapen.

    De Australian Association of Infant Mental Health (Australische Vereniging voor de geestelijke gezondheid van kinderen) zegt hierover het volgende: ‘Gecontroleerd huilen komt niet overeen met de emotionele en psychische behoeften van het kind, en kan ook onbedoeld negatieve gevolgen hebben.’ Volgens de vereniging zijn er – voor zover bij hen bekend – nog geen wetenschappelijke onderzoeken geweest die het stressgehalte of de emotionele impact op de ontwikkeling kind hebben gemeten bij baby’s die de methode van het gecontroleerde huilen ondergaan.

    Ondanks de populariteit van het gecontroleerde huilen is de methode niet gebaseerd op wetenschappelijk bewijs. Professor James McKenna – directeur van het Moeder-Baby Gedragskundig Slaaplaboratorium aan de Universiteit van de Notre Dame en gerespecteerd wiegendoodexpert – omschrijft de methode van gecontroleerd huilen als ‘sociale ideologie gemaskeerd als wetenschap’. Wat hij daarmee bedoelt? Niemand heeft nog bestudeerd hoelang het nu precies veilig is om een baby te laten huilen, als dat het überhaupt is. Toch is er een overvloed aan meningen over hoe lang men een baby zou moeten laten huilen om hem te leren zelfstandig te gaan slapen.

    Baby’s die gedwongen worden urenlang alleen te slapen -of alleen te huilen, want velen slapen niet eens- missen adequate verzorging en huid-op-huid-contact die net zo belangrijk zijn als voedsel voor hun ontwikkeling.

    Een baby te laten uithuilen om hem een routine aan te leren, terwijl hij in feite honger kan hebben, is vergelijkbaar met een volwassene die zich moet aanpassen aan een zwaar trainingsprogramma in combinatie met een beperkte voedselinname. Het resultaat van dit energieverlies door langdurig huilen zonder mogelijkheid tot voedselinname spreekt voor zich: gewichtsverlies en het uitblijven van optimaal welbevinden.

    Kinderarts William Sears zegt hierover: ‘Baby’s die getraind zijn om hun behoeften niet te uiten, lijken kalme, gehoorzame en lieve baby’s. In feite zijn deze baby’s meestal depressieve baby’s die het uiten van hun behoeften afgeleerd hebben.’

    Vaak kun je niets doen aan de redenen waardoor kinderen depressies oplopen. Denk aan een trauma door vroege ziekenhuisopname of medische behandelingen. Maar wanneer we ons inleven in de baby is het makkelijk te begrijpen hoe een extreem strikte methode tevens een verband heeft met depressiviteit. En waarom zou je dit riskeren, zeker als je kind al eerder van je gescheiden is geweest? Denk je eens in: jij zou je ook terugtrekken en verdrietig worden als de mensen van wie je van houdt oogcontact met je vermijden – zoals bij sommige slaaptrainingen geadviseerd wordt – en herhaaldelijk je huilen negeren.

    Een baby laten huilen verhoogt de hoeveelheid stresshormonen in het lichaam van de baby. Huilende kinderen krijgen een verhoogde hartfrequentie, lichaamstemperatuur en bloeddruk. Deze reacties zorgen voor oververhitting en kunnen in combinatie met braken als gevolg van de extreme beproeving zelfs leiden tot een groter risico op wiegendood bij kwetsbare kinderen.

    Er kunnen op de langere termijn ook emotionele effecten optreden. Er is nadrukkelijk bewijs dat verhoogde hoeveelheid stresshormonen permanente veranderingen kunnen veroorzaken in de ontwikkelende hersenen van het jonge kind. Die veranderingen hebben effect op het geheugen, de alertheid en emoties. En ze kunnen een meer overdreven reactie op stress op latere leeftijd veroorzaken, inclusief een verhoogde kans op angst- en depressiviteitsstoornissen.

    De Engelse psychotherapeut Sue Gerhardt, auteur van Why love matters: how affection shapes a baby’s brain’ (Nederlands: Waarom liefde zo belangrijk is: hoe liefde voor je baby zijn hersenen vormt), legt in haar boek uit dat de hypothalamus cortisol produceert wanneer een baby van streek is. In normale hoeveelheden kan cortisol geen kwaad, maar als de baby vaak en langdurig blootgesteld wordt aan stressvolle situaties zoals alleen huilen, worden de hersenen overspoeld met cortisol. In de toekomst zal er dan een over- of onderproductie plaatsvinden wanneer het kind blootgesteld wordt aan stressvolle situaties. Teveel cortisol houdt verband met depressie en angstigheid, en te weinig cortisol met emotionele afzondering en agressie.

    Eén van de argumenten voor het gebruik van de methode van het laten huilen tot het kindje zelf in slaap valt is dat het ‘werkt’. Uit een recent onderzoek van een Australisch babytijdschrift bleek dat ondanks het feit dat 57 procent van de respondenten deze methode heeft uitgeprobeerd, 27 procent van de moeders geen succes had, 27 procent ondervond dat de methode één of twee dagen werkte, en slechts 8 procent concludeerde dat deze methode langer dan een week werkte.

    Ik denk dat dit onderzoek enerzijds aantoont dat zelfs als deze strenge methode werkt, baby’s toch weer wakker worden als ze een nieuwe ontwikkelingsfase bereiken. En anderzijds dat baby’s eerder een bepaalde regelmaat bereiken en rustiger zullen slapen op het moment dat ze een geschikt niveau in de ontwikkeling bereikt hebben. Ook zonder slaaptraining of iets dergelijks.

    “Ik ben zo blij dat ik de methode van het laten huilen niet heb toegepast. Mijn baby is nu vijftien maanden en zelfs mijn echtgenoot is mij erg dankbaar voor het feit dat ik wat dit betreft voet bij stuk hield. Leren luisteren naar je hart wanneer je een ouder bent geworden is het mooiste cadeau dat ik me kan voorstellen. Ik ken mezelf nu beter en ik denk dat het erg geholpen heeft in deze periode van mijn leven. Het feit dat ik weet dat mijn instinctieve reacties juist zijn geeft mij zoveel zelfvertrouwen als moeder.” – Michelle.

    Gecontroleerd huilen en andere vergelijkbare methodes zullen misschien inderdaad werken om een zichzelf troostende, alleenslapende baby te verkrijgen. Maar het resultaat kan ook zijn dat het kind angstig, vastklampend en hyperwaakzaam wordt. Of nog erger, een kind bij wie het vertrouwen is verdwenen. Helaas kunnen we eigenschappen zoals vertrouwen en medelevenheid niet meten. Toch vormen zij de basisvaardigheden voor het vormen van relaties. We kunnen geen vertrouwensquotiënt geven aan een kind, zoals een intelligentiequotiënt. Eén van de meest trieste e-mails die ik heb ontvangen was afkomstig van een moeder die de methode van het gecontroleerde huilen heeft toepast bij haar peutertje van een jaar oud:

    “Na een week de methode van het gecontroleerde huilen te hebben toegepast, sliep hij door, maar hij stopte met praten, terwijl hij daarvoor al enkele woordjes sprak. Het afgelopen jaar heeft hij fysiek contact met mij geweigerd. Als hij zichzelf bezeert, gaat hij naar zijn oudere broertje om getroost te worden. Ik vind het verschrikkelijk dat ik mijn eigen kind verraden heb.” – Sonia.

    Het principe dat maakt dat de methode van het gecontroleerde huilen ‘werkt’ is van groot belang. Als gecontroleerd huilen ‘succesvol’ is om een kindje alleen in slaap te laten vallen, maakt hij een ontwikkeling door die neurobioloog Bruce Perry omschrijft als de ‘verslagenheidsreactie’ (defeat response). Normaal gesproken wanneer we ons bedreigd voelen wordt ons lichaam overspoeld met stresshormonen waardoor we klaargemaakt worden om te gaan vechten of vluchten. Maar baby’s kunnen beide niet, dus zullen zij hun behoeften communiceren door te huilen. Wanneer het huilen van een baby genegeerd wordt, zal dit trauma een ‘verslagen’ of ‘bevroren’ reactie tot gevolg hebben.

    Uiteindelijk laat de baby het huilen achterwege als het zenuwstelsel de emotionele pijn en de pogingen tot het vragen om hulp uitschakelt. De baby die alleen gelaten wordt terwijl hij huilt leert een wrede les: dat hij geen verschil kan maken met wat hij doet. Dus waarom zou hij het nog blijven proberen? Zo wordt machteloosheid aangeleerd.

    Neurowetenschappers en andere onderzoekers hebben aangetoond dat ouders invloed hebben op de groei en ontwikkeling van de hersenen en het aantal verbindingen tussen hersenzenuwcellen van hun kind als zij adequaat reageren op zijn behoeften. Het advies van de Australische Vereniging voor de Geestelijke Gezondheid van Kinderen luidt: ‘Kinderen raken veilig gehecht wanneer er direct, consequent en zorgvuldig op hun behoeften wordt ingespeeld. En een veilige hechting bij jonge kinderen is het fundament voor een goede geestelijke gezondheid.’

    Wanneer je het nachtelijke huilen van je kindje vanuit een ander perspectief bekijkt, zul je merken dat hij zijn behoeften toont in plaats van dat hij je probeert te manipuleren. En dan kun je op de juiste manier reageren, afhankelijk van de leeftijd van je baby en zijn behoeften. Daarmee maak je je kindje niet alleen intelligenter, je creëert ook nog een stabielere basis voor zijn toekomstige geestelijke gesteldheid.

    Vertaald door Anne Koopmans

    Uittreksel en vertaling ervan met toestemming van de auteur van Sleeping Like a Baby.

    Pinky McKay is moeder van vijf kinderen, Lactatiekundige (IBCLC) en een gecertificeerd docente babymassage en afkomstig uit Melbourne, Australië. Naast het boek Sleeping Like a Baby schreef zij ook de boeken Parenting By Heart, 100 Ways to Calm the Crying en How do we Tell the Kids?

    Bezoek voor meer informatie de website
    www.pinky-mychild.com.

    ————————————————————————

    Meer lezen: Penelope Leach: Baby laten huilen veroorzaakt hersenschade
    www.hln.be/hln/nl/38/Je-Kinderen/article/detail/1096459/2010/04/22/Baby-laten-huilen-veroorzaakt-hersenschade.dhtml

    Position Paper 1: Controlled Crying door de Australian Association for Infant Mental Health Inc. www.aaimhi.org/documents/position papers/controlled_crying.pdf met bibliografie en suggesties voor alternatieven voor gecontroleerd huilen.

    Eerder verschenen in Natuurlijk Ouderschap 17, 2010