Tag: Bowlby

  • Kinderopvang gebaseerd op attachment

    door Richard Bowlby

    Om een relatie op te bouwen en onderhouden tussen een baby en verzorger als tweede hechtingsfiguur, is het nodig dat de verzorger een continue op de persoon toegesneden zorg levert voor verscheidene jaren. Maar zelfs dan is het niet zeker dat er een band zal ontstaan. Om een band te laten ontstaan tussen de ze, moet de verzorger bereid zijn een emotionele commitment te geven aan de baby. Zelfs de meest gevoelige dagopvang met een secondair hechtingsfiguur zal waarschijnlijk meer stress geven dan zorg van de primaire hechtingspersoon, maar het lijkt geen significante lange termijn factor te zijn voor zekere en onzekere kinderen.

    Een model voor kinderopvang gebaseerd op hechting is een gezinstype groep die de verzorger in staat stelt zorg te bieden aangepast op de leeftijd voor ieder kind.

    Een aantal voorbeelden van karakteristieken waarmee kinderopvang gebaseerd op hechting zich onderscheidt zijn:

    – dat baby’s niet worden geaccepteerd totdat ze 9 maanden oud zijn, tegen die tijd hebben ze een primaire band gevormd met de persoon die ze opvoedt – meestal maar niet noodzakelijk de biologische moeder.

    – de verzorgers moedigen de baby’s en peuters actief aan om secondaire attachment, een band aan te gaan, en de ouders stemmen hier mee in

    – dat baby’s en peuter worden vergezeld van hun primaire hechtingsfiguur voor de eerste weken van de opvang terwijl de baby vrienden wordt met de nieuwe verzorger – het eerste stadium van het ontwikkelen van een secondaire hechting

    – dat door het introduceren van een paar minuten scheiding en geleidelijk de tijd op te voeren, de baby zich realiseert dat ze getroost kunnen worden door hun verzorger en zich veilig voelen, waardoor hun cortisol niveau’s zo laag mogelijk wordt gehouden

    – dat de duur van opvang elke dag kort wordt gehouden voor baby’s terwijl hun secondaire band ontwikkelt
    – dat de baby’s en peuters in deeltijdse kinderopvang zijn tot ze 18 maand oud zijn en dat verzorgers niet meer dan drie baby’s of peuters bij zich hebben verspreid in leeftijd: één tussen 9 en 18 maand oud, één tussen 18 en 36 maand oud en een kind ouder dan 36 maanden

    – dat verzorgers voldoende energie hebben, en getraind en ondersteund worden om te voldoen de lichamelijke, cognitieve en emotionele behoeften van baby’s, peuters en jonge kinderen in hun zorg

    – dat baby’s en peuters secondaire hechtingsbehoeften worden vervuld, onderhouden en gemonitord

    – dat de emotionele band van verzorgers met de kinderen waar ze voor zorgen sensitief ondersteund en gemonitord wordt

    – dat ouders worden ondersteund in het onderhouden van de primaire band tussen hun kind en henzelf

    Bron: Social Baby: Richard Bowlby – Stress in Daycare

    Lees ook

    Te vroege kinderopvang schaadt voor het leven

    Website tip

    What About The Children? Raising awareness about the emotional needs of under threes:
    http://whataboutthechildren.org.uk

    Eerder verschenen in Nieuwsbrief Natuurlijk Ouderschap nr 17, 2010

  • Te vroege kinderopvang schaadt voor het leven

    Jan Peeters

    Terwijl het ook voor Nederlandse moeders steeds moeilijker zal worden hun kinderen zelf groot te brengen, heeft in Groot-Brittannië een groep eminente wetenschappers ernstige bezwaren geuit tegen kinderopvang tot drie jaar.

    Maar liefst 110 in het Verenigd Koninkrijk werkzame wetenschappers, psychologen, artsen en andere deskundigen willen zo snel mogelijk een nationaal debat over de vraag of kinderen onder de drie jaar wel door anderen grootgebracht mogen worden dan mensen uit de directe en vertrouwde omgeving.

    “Gelijkmatige en continue zorg door een vertrouwde persoon is de sleutel voor een veilige en koesterende omgeving voor kleine kinderen”, aldus een brief waarmee de deskundigen zich onlangs tot de Britse krant Daily Telegraph hebben gewend. “Onderzoek wijst erop dat wanneer dit ontbreekt gedragsproblemen kunnen ontstaan.”

    De deskundigen vrezen dat door het jongste overheidsinitiatief voor meer kinderopvang, meer ouders hun kinderen “in een situatie zullen brengen die mogelijk niet ten goede komt aan hun emotionele behoeften”.

    Kinderopvang thuis: de manier waarop de moeder met het kind omgaat, bepaalt of het kind zich ook echt geborgen voelt.

    ‘Sociaal misvormd’

    Initiatiefnemer is Sir Richard Bowlby, zoon van Sir John Bowlby, die in de jaren vijftig de ‘hechtingstheorie’ ontwikkelde. Hij schreef een compacte samenvatting van zijn idee en stuurde die aan dertig ’s werelds meest vermaarde experts, die merendeels met hem instemden.
    “Ik zeg niet dat alle kinderopvang slecht is en iedere moeder het goed doet. Maar het is voor een dagopvang moeilijker de benodigde omgeving te creëren dan voor een moeder, een vader of grootouder of andere verzorger.”

    Hij krijgt bijval van psycholoog en opvoedkundige Steve Biddulph, die kinderopvang beneden de twee jaar ongeschikt vindt voor de hersenontwikkeling. “De gezonde ontwikkeling van de hersenschors van het kind hangt af van liefdevolle een-op-een zorg, maar we hebben nog nooit een economie of regering gehad die zo weinig waarde hecht aan liefde.

    Het is economisch gezien verstandig om jonge ouders meer tijd voor de opvoeding te geven omdat het voorkomt dat straks sociaal misvormde jonge mensen onze scholen, straten en werkplekken vullen.”
    “Wat wij nodig hebben zijn rustige, zorgzame mensen die zich kunnen hechten en nabij kunnen zijn. Wij kweken precies het tegenovergestelde.”

    Hechtingstheorie

    De hechtingstheorie van John Bowlby gaat ervan uit dat ieder kind voor een normale ontwikkeling behoefte heeft aan één primaire en een of meer secundaire personen aan wie het zich kan hechten.
    Die band heeft allereerst de biologische functie bescherming te bieden tegen gevaren die het nieuwe leven bedreigen. Maar zij heeft ook de emotionele functie vanuit vertrouwen de wereld te kunnen verkennen.
    De manier waarop de moeder met het kind omgaat, bepaalt of het kind zich ook echt geborgen voelt. Die geborgenheid kan alleen tot ontwikkeling komen als het kind de moederfiguur als werkelijk beschikbaar ervaart. Dat houdt in dat de moeder bereikbaar is en dat zij bereid en in staat is op een adequate manier op de fundamentele behoeften van het kind in te gaan.

    De mate van beschikbaarheid van de moeder bepaalt of het kind zichzelf gaat zien als iemand die de moeite waard is of niet. Een veilig gehecht kind heeft geleerd dat die opvoeder te vertrouwen is, dat zij er is als je haar nodig hebt en dat zij je spanningen kan verlichten. Het voornaamste kenmerk van deze opvoeder is dat zij snel en adequaat reageert op de signalen die het kind uitzendt.
    Deze theorie is in de afgelopen vijftig jaar tot de meest aangevallen, geprezen en wetenschappelijk onderzochte veronderstellingen gaan behoren. De kans is daarom buitengewoon groot dat die klopt, aldus Sir Richard, die zich sinds 1994 intensief is gaan bezighouden met zijn vaders theorie en de ontwikkelingen die zich daarna hebben voorgedaan.

    Eerste en ‘tweede’ keus

    Naast de primaire hechtingsfiguur, meestal maar niet noodzakelijkerwijs de moeder, heeft het kind meestal nog enkele mensen met wie het een speciale band ontwikkelt zoals met broers en zussen, opa’s en oma’s, kindermeisjes en in het bijzonder de vader. Een kind dat drie of meer van deze secundaire hechtingsfiguren kent, is vaker beter bestand tegen spanningen en voelt zich beter beschermd.
    Volgens Bowlby is er niets aan de hand wanneer kinderen van een half tot tweeëneenhalf jaar enkele uren per dag van hun moeder gescheiden worden als zij worden verzorgd door een persoon die tot de tweede categorie behoort. Wanneer die gelijkmatig, gevoelig en attent zijn, kan dit de sociale en cognitieve ontwikkeling van de peuter ten goede komen. Zoals kinderen vanaf drie jaar vaak profijt hebben van twee tot drie uur in een goede peuterspeelzaal.

    Risicofactoren

    Hoe natuurlijk dit ook lijkt, toch kampt volgens Bowlby rond 40 procent van de Britse en Amerikaanse peuters met wat men noemt ‘onveilige hechting’. Onveilige hechting wordt algemeen beschouwd als een risicofactor die bijdraagt aan psychische problemen bij kinderen en – later – als volwassenen. Zij zijn emotioneel kwetsbaarder en zijn veel gevoeliger voor scheiding, ook al is het maar een paar uur, van de hechtingsfiguur.

    De wereld van de kleintjes gaat helemaal op zijn kop wanneer er geen ouders zijn of deze het kind chronisch verwaarlozen, verslaafd of gewelddadig zijn. Iets minder ernstig zijn depressies, (te) jonge ouders of het ontbreken van vaardigheden. Armoede verergert de zaak alleen maar.
    Op zich lijken kinderen het onder deze omstandigheden soms toch goed te doen, maar een combinatie van deze factoren leidt bijna geheid tot latere problemen.
    Een ander probleem is wanneer het kind de verzorg(st)er als primaire hechtingsfiguur gaat zien.

    Emotionele vaardigheden

    Volgens Bowlby heeft dit te maken met de snelle ontwikkeling van de rechterhersenhelft tijdens de eerste dertig maanden. Daar ontwikkelen zich de vaardigheden die nodig zijn voor relaties, emoties en het meevoelen met anderen. De baby en peuter maakt zich deze vaardigheden onbewust eigen door de herhaling. Vandaar dat de constante kwaliteit van de zorg bepalend is voor hun ontwikkeling. Rond het derde jaar begint de linkerhersenhelft aan de groeispurt, wat onder meer te merken is aan de snel toenemende taalvaardigheid en het bewustzijn van tijd.

    Stresshormoon

    Waar onderzoekers zich steeds meer zorgen over maken is dat bij baby’s en peuters in groepsdagopvang hoge doses van het stresshormoon cortisol worden aangetroffen. Die stof wordt door het lichaam aangemaakt en is nodig om goed te functioneren. Het kind maakt die aan bij lawaai, ruzies of wilde spelletjes, maar ook wanneer het zich te weinig geborgen voelt omdat het zich niet kan hechten aan de verzorger(s). Wanneer het wisselen van verzorgers te vaak gebeurt kan het kind zelfs weigeren zich opnieuw te hechten.
    Het bewust regelmatig wisselen van de verzorgers om hechting te voorkomen kan daarmee een risicofactor worden.

    Paniek

    Baby’s en peuters tussen de zes en dertig maanden voelen zich instinctief onveilig wanneer zij geen ‘tastbare’ bewijzen hebben van de aanwezigheid van hun bekende en vertrouwde hechtingsfiguren, al is het maar geur of geluid.

    Zij willen naar hen op zoek en zetten het vaak op een brullen. Wanneer zij na een tijdje in de situatie lijken te berusten, betekent dat niet dat de stress voorbij is, zeker niet wanneer ze zich stil houden of ‘bevriezen’.
    Bowlby vergelijkt het gevoel van zo’n klein kind zonder hechtingsfiguur met dat van een kind dat op een strand zijn ouders kwijt is.

    Gewenning

    Wanneer veilig gehechte kleintjes weer met hun moeder worden herenigd en voldoende aandacht en troost krijgen zodat het cortisolniveau tegen bedtijd is genormaliseerd, kan het kind de volgende dag opnieuw voor enkele uren van zijn moeder worden gescheiden, mits het verzorgd wordt door een secundaire hechtingsfiguur.
    Uit onderzoek blijkt dat deze categorie kinderen dit meestal aankan zonder gevolgen op de langere termijn.
    Bij ‘onveilig gehechte’ kinderen kan juist het onveiligheidsgevoel ertoe bijdragen dat het cortisolniveau tegen bedtijd en zelfs bij het ontwaken nog steeds hoog is.

    Voor het leven getekend

    Richard Bowlby noteert een aantal risicofactoren voor baby’s en peuters in de kinderopvang. De eerste is voor veilig gehechte kinderen die geen verzorger hebben als secundaire hechtingsfiguur. Dit is des te dramatischer voor onveilig gehechte kinderen.

    Hetzelfde geldt wanneer het weggaan bij de moeder ongevoelig wordt aangepakt. Als er dan ook nog eens geen secundaire hechtingsfiguur is of als er thuis een crisis is, kan het kind volkomen overrompeld worden. “Dat kan resulteren in de emotionele- en gedragsproblemen die wij steeds meer zien. We moeten ons realiseren dat deze risicofactoren het vermogen van kinderen aantasten om zelf stabiele relaties aan te gaan”, aldus Bowlby.

    Vanwege de vele risico’s is Bowlby er voorstander van dat ouders zelf beschikking krijgen over een ‘opvanggeld’ en er zo ook voor kunnen kiezen hun kind zelf op te voeden of grootouders of andere vertrouwde personen in te schakelen. “In een samenleving die beide ouders aanmoedigt buitenshuis te werken terwijl hun kinderen nog geen drie zijn, speelt hechtingsgeoriënteerde kinderopvang een cruciale rol in de gezonde emotionele ontwikkeling van onze kinderen.”

    © 2006 Katholiek Nieuwsblad
    Met toestemming overgenomen.

    Eerder verschenen in Nieuwsbrief Natuurlijk Ouderschap nr 17, 2010

    Lees ook:

    Kinderopvang gebaseerd op attachment – Richard Bowlby